Column Sylvain Ephimenco

Vijf jaar na ‘Charlie’ dwalen de overlevenden nog steeds in een nachtmerrie rond

In 2015 werden wereldwijd in totaal 67 journalisten gedood of vermoord (sinds 2005 waren het er volgens Reporters sans frontières op dat moment 787!). Dat de meesten van hen in Syrië en Irak het leven lieten, verbaasde niemand. Maar dat Frankrijk als derde meest gevaarlijke land voor journalisten uit de bus kwam, was zeer uitzonderlijk. Zozeer zelfs dat er geen precedent werd gevonden in een westers land.

Vandaag is het dus precies vijf jaar geleden dat twee jihadisten uit de Parijse banlieue acht redactieleden en cartoonisten van het kleine weekblad Charlie Hebdo (evenals vier andere personen) afslachtten. “We hebben Charlie vermoord! We hebben profeet Mohammed gewroken”, schreeuwden de Frans-Algerijnse broers Kouachi toen ze uit het redactielokaal kwamen. Dit was in hun ogen de verdiende straf van het blad dat negen jaar eerder karikaturen van hun profeet had gepubliceerd. Vijf jaar na dato is het leven van de overlevenden van dit bloedbad nog steeds een nachtmerrie. Niet alleen door de trauma’s, maar ook door de vrijheid die ze kwijt zijn sinds ze zwaar worden beveiligd.

Ruzie tijdens de redactievergadering, enkele minuten voor het bloedbad

In zijn boek ‘Le Lambeau’ vertelt de zwaargewonde journalist Philippe Lançon hoe de twee in het zwart geklede mannen om 11.28 uur de redactie binnenliepen. ­Hij zag hoe de verraste politieagent die hoofdredacteur Charb beveiligde te traag was om zijn dienstpistool te grijpen en werd gedood. De jihadisten schoten vervolgens een voor een de journalisten neer, iedere treffer werd begeleid door de kreet ‘Allahu akbar’ (God is de grootste). Toch is het deel van het boek dat me het meest heeft aangegrepen niet de aanslag op zich, maar een ruzie tijdens de redactievergadering tussen schrijver/journalist Bernard Maris (68) en cartoonist Tignous (57), enkele minuten voor het bloedbad. De eerste poneerde dat radicalisering van jonge moslims in de banlieue niet de schuld van de Franse staat was, wat Tignous in woede deed ontsteken: “Wat is er voor hen gedaan? Niets! En ook voor alle gozers die geen baan en helemaal niets hebben! Allen die in de banlieues rondhangen en zijn veroordeeld te worden wat we van hen maken, islamisten, krankzinnigen. En de staat die doet helemaal niets voor hen, laat ze creperen! Het kan de staat niets schelen!”

Hoor hier in haar zuiverste vorm de dialectiek die radicalisme tot zijn sociaal-economische context ­terugbrengt. Die het geperverteerde geloof min of meer als quantité négligeable beschouwt. Maar wrang is wel dat kort daarop de gebroeders Kouachi juist de andere kant van hun drijfveer lieten zien: gedreven door het religieuze fanatisme zaaiden ze dood en verderf omwille van een paar prenten over een profeet die vele eeuwen eerder stierf.

Journalist Maris noch tekenaar Tignous heeft de kogels van de twee moordenaars overleefd. De zwaargewonde Lançon zag hoe de hersenen van Maris uit zijn hoofd puilden terwijl Tignous zijn pen nog verticaal tussen zijn vingers hield. Beiden zijn al vijf jaar dood, maar hun controverse niet.

Drie keer per week werpt columnist Sylvain Ephimenco zijn blik op de actualiteit. Lees zijn columns hier terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden