null Beeld

ColumnHans Goslinga

Verschil in welvaart is de achilleshiel van Rutte IV

Hans Goslinga

Bijna terloops drukte minister-president Rutte in het Kamerdebat over de regeringsverklaring zijn herwonnen machtspositie uit: “Ik zie sommigen zuchten, die dachten: hij hoepelt eindelijk op. Nee, ik blijf hier.”

Rutte heeft geen ambities om ‘iets in Brussel of Washington, of waar dan ook, te gaan doen’, zei hij. “Ik vind het hier veel te mooi, en heb ook de energie en de plannen.” Je kon er bijna in horen: hou maar rekening met Rutte V.

De herwonnen macht geldt niet alleen voor de VVD-politicus Rutte, maar ook voor de liberale stroming. In de termen van de jaren zeventig zou je Rutte IV kunnen typeren als ‘blauw met een groene rand’. Van de twintig ministersposten bezetten de liberalen van VVD en D66 er veertien. Het CDA en de ChristenUnie zijn in het jargon van destijds ‘bijwagens’.

In historisch perspectief is deze verschuiving spectaculair. De liberalen verloren aan het begin van de vorige eeuw hun hegemonie, maar hebben die positie na ruim honderd jaar heroverd, in de zin dat zij veruit de grootste minderheid zijn. Tegelijkertijd hebben de grote stromingen van de 20ste eeuw, de christendemocratie en de sociaaldemocratie, in omvang en ideologische vitaliteit het loodje gelegd.

Liberale partijen zijn verzamelplaatsen van individuen

Toch is de vraag hoe bestendig het liberale overwicht is. Het CDA en de PvdA en hun voorgangers waren de uitdrukking van collectieve bewegingen, sociaal en cultureel geworteld in de samenleving, grote families. De liberale partijen zijn naar hun aard verzamelplaatsen van individuen. Er zit een logica in dat zij hebben geprofiteerd van de individualisering, de particuliere welvaartsgroei en de ontkerkelijking, na 1989 nog versterkt door het wegvallen van het communistische alternatief.

De zwakte van de liberale wederopstanding weerspiegelt zich in de tegenbeweging, die juist hecht aan een collectieve identiteit, het eigene, de tradities, het familiegevoel. De populistische partijen appelleren met succes aan het verlies van het ‘verloren paradijs’. Pim Fortuyn liet in 2002 al de potentie zien. Het populisme is geen marginaal verschijnsel, maar laat een ernstige verstoring zien van de maatschappelijke vrede, die door de al dan niet aangewakkerde vervreemding bedreigend is voor onze democratie.

Pijnlijke scènes voor wie de parlementaire democratie lief is

De vonken van deze kortsluiting vielen deze week spetterend op de tafel van Kamervoorzitter Bergkamp. Zij wist zich niet aanstonds raad met het drieste en ontregelende optreden van Wilders (PVV) en Van Meijeren (Forum). Dat leverde pijnlijke scènes op voor wie de parlementaire democratie lief is. Maar het is iets te gemakkelijk dat Bergkamp volledig aan te rekenen. Wel is het zaak de rode lijnen scherper te trekken, nu de populisten vaker welbewust pogen de grenzen op te rekken. Maar het wezenlijke probleem steekt dieper dan het ontoereikende gezag van een Kamervoorzitter en gaat de hele politiek aan.

De Franse denker Claude Lefort (1924-2010) kan het denken in dit opzicht wat verhelderen. Hij zei een kwarteeuw geleden dat de democratie vereist dat individuele burgers, ondanks ongelijkheden, in eenzelfde politieke gemeenschap zijn geïntegreerd. Die ongelijkheden mogen niet te groot worden, omdat anders mensen in kwetsbare posities zich buitengesloten gaan voelen, terwijl degenen die volop van het moderne leven genieten geneigd zijn hun veiligheid en voordelen te laten prevaleren op het belang van een gedeeld burgerschap.

Lefort wilde niet terug naar de vol opgetuigde verzorgingsstaat, maar die beantwoordde in zijn ogen wel aan de politieke eis van integratie van privé- en publiek belang. ‘Als daar geen rekening mee wordt gehouden, moet ontketening van het individualisme worden gevreesd, maar meer nog het succes van bewegingen met een populistisch of fascistoïde ideaal.’

Je moet een revolutie maken voor die uitbreekt

Aan het eind van de 19de eeuw kregen de liberalen in de gaten dat zij op dit punt tekort waren geschoten. Maar het was te laat. Het kabinet-Pierson, het laatste dat steunde op een liberale en vrijzinnige meerderheid, is de geschiedenis ingegaan als ‘het kabinet van sociale rechtvaardigheid’. Het deed van alles tegen de sociale ellende op de vloer van de samenleving. D66-voorman Van Mierlo hield er de wijsheid aan over ‘dat je een revolutie moet maken voor die uitbreekt’. In die zin was Pierson nog net op tijd, maar de late reactie kon de terugval van de liberale partijen en de opkomst van collectieve bewegingen die voor achtergestelde groepen opkwamen, niet meer stuiten.

De ironie is dat nu, net als toen, de ongelijkheid in welvaart – vooral het verschil in vermogenspositie – het kristallisatiepunt in het politieke debat is. Rutte hield zich deze week Oost-Indisch doof voor dit probleem, maar precies daar zit de achilleshiel van zijn vierde kabinet en van onze natie als politieke gemeenschap.

Hans Goslinga schrijft elk weekend een beschouwing over de staat van onze politiek en onze democratie. Lees ze hier terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden