Ombudsman Edwin Kreulen

Trouw kijkt als krant zelf naar de wereld, niet door de ogen van de politiebaas

Terwijl de autoriteiten in Frankrijk talmen met informatie over een viervoudige moord, laveren correspondent en redactie rond de ijsschotsen van de vraag ‘is dit terrorisme’? Een paar keer had de bocht iets ruimer moeten zijn.

De kwestie

Op 4 oktober meldt Trouw dat Mickaël H., een 45-jarige ICT-medewerker van de politie in Parijs, de dag daarvoor vier collega’s heeft doodgestoken, voordat hij zelf werd doodgeschoten. ‘Zijn motief is vooralsnog onduidelijk’, meldt de correspondent in Parijs. Die beschrijft hoe hoge werkdruk bij de politie wordt genoemd als oorzaak. Maar ook dat een Franse radiozender meldt dat H. zich anderhalf jaar daarvoor bekeerde tot de islam.

Onder de kop ‘Van modelwerknemer bij de politie tot terrorist’ meldt de krant maandag 7 oktober dat H. de aanslag had gepland en ‘zich niet zomaar had bekeerd tot de islam’.

Hij had met salafisten contact, weigerde vrouwen de hand te schudden en bovendien was ‘zijn moskeebezoek – in traditionele djellaba – frequenter geworden’. Met zijn vrouw wisselde hij de dag van de aanslag ‘zo’n dertig zwaar religieus getinte sms’jes’ uit.

Op 9 oktober spreekt Trouw over H. als ‘jihadist’. Op 12 oktober neemt de krant een vervolgbericht over van persbureau ANP waarop H. de ‘dader’ van de aanslag wordt genoemd. Zijn achternaam wordt vermeld en als motief worden radicalisering maar ook ‘extreme puriteinse geloofsopvattingen’ genoemd.

Franse kranten als Le Monde noemen al vrij snel de achternaam van H., betitelen hem als dader en noemen hem ‘islamitisch terrorist’. Deze week wordt bekend dat het onderzoek, naar H. en een aantal anderen, is overgedragen aan het Franse equivalent van de rechtbankkamer, gespecialiseerd in terrorisme.

De standpunten

Het ‘Trouw Schrijfboek’ zegt dat iemand pas ‘dader’ is als de rechter hem heeft veroordeeld. Tot die tijd is men ‘verdachte’. Alleen wanneer ‘iedereen op televisie’ kon zien dat de verdachte het echt heeft gedaan, is deze opstelling te formeel. Anders dan in Nederland hoeft de achternaam van verdachten ‘ver weg’ niet te worden bekort tot initiaal.

Op de redactie is enige discussie. Zo is er de vraag of ‘frequent moskeebezoek in djellaba’ en religieuze sms’jes wel een aanwijzing voor radicalisatie zijn. Het gevaar is stereotypering van moslims. De buitenlandredacteur die ervaring heeft met moslimterrorisme, tekent aan dat verandering cruciaal is: een losse levensstijl hebben en dan in korte tijd dit soort gedag gaan vertonen, kan door inlichtingendiensten beschouwd worden als een mogelijke aanwijzing voor radicalisering.

De correspondent wijst erop dat de autoriteiten direct na het drama uitdrukkelijk uitgingen van een ander motief dan terrorisme. Daardoor was het lastig laveren tussen officieuze informatie en het officiële zwijgen. Op een persconferentie zaterdag presenteerde de Parijse politie-autoriteit de aanwijzingen zoals die in het maandagartikel zijn opgenomen. Het gaat daarbij inderdaad om de plotselinge verandering van het gedrag. Om H. vanaf dat moment niet als dader te omschrijven, zou volgens de correspondent kunstmatig overkomen. Achteraf zegt hij dat het beter was geweest de bron van deze aanwijzingen, de persconferentie, expliciet te noemen. De chef buitenland beaamt dat, daardoor zou duidelijker zijn dat niet de auteur zelf de conclusie trok dat terrorisme het motief was.

Oordeel

Dat H. ineens vaker naar de moskee ging in traditionele kleding, is terecht gepresenteerd als mogelijke aanwijzing voor radicalisatie. Of hij vrouwen eerder wel de hand wilde schudden, valt uit het stuk niet op te maken. En een salafist is nog geen jihadist. Al met al had de radicalisering met een extra slag om de arm gebracht moeten worden, en duidelijker moeten worden toegeschreven aan de autoriteiten.

Het laten staan van de achternaam in het persbureaubericht is niet verkeerd maar wel inconsequent. Het Schrijfboek geeft geen uitsluitsel over de vraag of H. een dader genoemd mag worden. De letterlijke formulering behoeft aanpassing. Het advies komt er op neer dat alleen wanneer de hele wereld zeker is dat iemand dader is, hij zo genoemd mag worden. Nu H. is overleden kan een rechtszaak geen klaarheid meer brengen, maar een toekomstig onderzoek hopelijk wel. H. stelselmatig aanduiden als ‘mogelijke’ dader zou kunstmatig zijn. Maar juist wanneer dit niet altijd gebeurt, is een extra slagje om de arm nodig. De krant kijkt zelf naar de wereld, niet door de ogen van de politiebaas.

Ombudsman Edwin Kreulen bespreekt journalistieke dilemma’s en de werkwijze van de redactie. Reageren? Heeft u zelf een vraag of kwestie? Mail naar ombudsman@trouw.nl.

Lees ook: 

Deze filosoof kruipt in het hoofd van fundamentalisten

Zijn plotselinge religiositeit, contact met salafisten en andere kleding inderdaad mogelijke aanwijzingen voor radicalisering? Wetenschappers zijn daar nog niet over uit, bleek eerder in Trouw. Het onderzoek zit ‘een beetje vast’, meldde Rik Peels van de Vrije Universiteit in september

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden