Opinie

Tot hier dan ben ik aangekomen

Filosofe Karin Melis verlangt naar schijn, nu de werkelijkheid in alle hevigheid heeft toegeslagen. „Ik wil ook wel een zichtbaar oorlogslitteken, een oorkonde, een bewijs. Ja, ook een tastbaar bewijs dat me dit niet meer zal overkomen.”

’Heb je daar nu wat aan? Aan dat geloof van jou, nu je zo door ziekte getroffen bent?”

„Wat bedoel je, met eraan hebben?”

„Nou, steun of troost.”

„Nee”, zei ik lachend, „daar heb ik nou helemaal niets aan.”

Voor mijn geestesoog wordt de film opnieuw afgedraaid: de brief, het onderzoek, de definitieve uitslag, de mitrailleurs van de MRI, het felle licht van de operatiekamer, de computergestuurde maan die bewegend over mijn lichaam onzichtbare stralen schiet. Die hele lange 52-jarige reis die zich even ontlaadde in een bestemming met een pijnlijk klinkende naam.

Nee, eerlijk gezegd heb ik niets aan het mij gegeven geloof aan de Eeuwige. Wat heb je eraan, doe je er nog wat aan – het zijn uitdrukkingen die mij niet aanspreken. Of beter nog, ze brengen me niet tot spreken. Ik kan er geen kant mee uit, behalve dan de richting waarin deze taal me dwingt: die van een rationeel gemotiveerde nutsopvatting.

Kennelijk moet een – gelovig – leven aan normen voldoen waaraan ik de effectiviteit van mijn geloof kan toetsen. Hoe ziet een gelukt leven eruit? Wie beoordeelt dat eigenlijk? Nee, deze woorden missen wat mij betreft gelaagdheid en dus ruimte. Zoals woorden kunnen beroeren, raken en helen, zo kunnen zij ook doodslaan, sleets en hol worden.

Het wonder is dat het eeuwenoude, dagelijkse gebed niet aan kracht inboet. Het is het meest volmaakte gebed. Reeds bij de eerste woorden ’Onze Vader’ wordt de aanwezigheid aangeroepen, leven ingeblazen op de ademtocht van de stem. Ik begrijp die rabbijn wel die jaren en jaren achtereen in huilen uitbarstte bij het naderen van de derde zin van Genesis waar staat ’God zei’. Het is de eerste keer in de Schrift dat de Eeuwige hardop spreekt. „Hij zegt: Er moet licht komen. En zie: er is licht.”

Woorden die licht maken. Het Hebreeuws lijkt daar wel op toegelegd. Door de raspende keelklanken van de gutturalen hoor je de adem in de keel, niet voor niets het meest vitale orgaan. ’Hoor, Israël’ zijn sleutelwoorden die je maar beter serieus kunt nemen. De eerste keer dat ik het scheppingsverhaal in het Hebreeuws hoorde, werd het ook mij gelijk aan de rabbijn te machtig. Dit was de reinste poëzie, zeker ook in de meest letterlijke zin van het woord: een scheppingsdaad. Al begreep ik er geen jota van, elke keer als het Hebreeuws van Genesis opklonk, kwamen hemel en aarde opnieuw tot leven. En werden zij in de collegezaal tegenwoordig gesteld. Niet zo vreemd dat ons theologiestudenten werd aangemaand de Schrift gezamenlijk hardop te lezen en niet stilletjes alleen in een hoekje. Want het woord op de ademtocht maakt dat er leven is. Maar er is meer, er is, God zij gedankt, altijd meer. Aan de klanken van de woorden, liggend in de cadans van de Hebreeuwse taal, hoor je hoe lichtvoetig gespeeld wordt met woorden als ware de schepping van hemel en aarde een peulenschil. Een lachertje. Een dans in de taal. Die je biddend doet wiegen. Wiebelend op de tenen.

Onder die radioactieve stralen van de maan die elke dag over me heen boog mocht ik onder geen beding wiebelen. Mijn ogen mocht ik wel bewegen, ik volgde de computergestuurde maan met argusogen. Onderwijl prevelde ik het onzevader, me verliezend in versregels, struikelend over woorden, opeens hele zinnen vergetend en steeds maar weer terug dwalend naar de verzuchting ’Onze Vader. Die in de hemelen zijt.’ Want hoe kon Hij in vredesnaam hier zijn, in deze kamer, waar rode streepjes licht uit de muur komen? Waar computerschermen van beeld veranderen zoals wanneer je gaat printen, alleen kwam nu die reusachtig volle kunstmaan in beweging. Waar de prullenbakken overvol waren van grote repen verfrommelde stukken papier waarop patiënten voor mij hebben gelegen. Hoe kon Hij mij hier in deze onbegrijpelijke omgeving vinden als ik mezelf niet eens kon vinden?

In de meest geciteerde psalm voor de aanhef van overlijdensadvertenties galmde het ’De Eeuwige is mijn herder’.

Ik vraag me af of dit een bezwering is, een afsmeking tegen alle verdrukking in. Of dat het mogelijkerwijs een constatering is, een resultante van loutering. Mijn herder is nog wel van een andere orde dan de vader die van ons allemaal is. Het bezittelijk voornaamwoord ’mijn’ klinkt als een vrijmoedige, welhaast vanzelfsprekende toe-eigening. Maar het is ook een helder antwoord op ’want Ik ben Uw God’ – deze woorden staan in het midden van Psalm 23 en dienen daarom ter harte te worden genomen. Zijn Naam is JHWH, vertaald als Ik Ben Die Er Zijn Zal. Dat is een werkwoordvorm van zijn. Onuitsprekelijk, want ontsnappend aan alle mogelijke concretiseringen, theoretiseringen, dan wel filosofische reflecties en andere sciencefictionachtige speculaties. Er-zijn is aanwezig zijn, maar ook: aangewezen op. Geen aanwezigheid zonder betrekking. Natuurlijk, waartoe zou de Allerhoogste de Rietzee openen als er niemand was? Wat en Wie zou Hij zonder ons, Zijn schepselen Zijn?

Er-zijn, aanwezig zijn, het is menselijkerwijs gesproken en hoe anders kunnen we spreken, een wonder dat ook wij daartoe in staat zijn. Gelijk David die, slechts gehuld in linnen priesterhemd, onbezonnen voor de ark uit Jeruzalem binnen danste. Thuisgekomen sprak zijn vrouw schande over zijn gedrag. „Als de eerste de beste dwaas heeft hij, de koning, zich voor de ogen van zijn slavinnen en onderdanen ontbloot”, snauwde ze David toe. Het voluit aanwezig zijn gaat kennelijk altijd gepaard met decorum- en zelfverlies.

Als een mens getroffen wordt door ernstige ziekte komt aan het licht wat sinds de wieg reeds het geval is: hij heeft zijn lotgevallen zelf te dragen, niemand kan dat van hem overnemen – dat ligt besloten in het gegeven dat we in vrijheid geboren en tot vrijheid geroepen zijn. In het leven van alledag waarin we, zoals we dat tegenwoordig uitdrukken, ’ons ding doen’, hebben we doorgaans niet zo’n weet van die existentiële eenzaamheid. Of misschien toch wel. Niet voor niets bestaat er een rijke variëteit aan Hallmark-kaarten waar de kreet ik ben er voor je of ik wil er voor je zijn veelvuldig van afspat. Eenmaal aan het ziektebed gezeten, blijkt dat nog niet zo makkelijk te zijn. Wat je ook doet, uiteindelijk staat de lijdende mens er alleen voor. Wat pijn tot pijn maakt, is dat zij ondeelbaar is.

Vaak zeggen mensen dat ze niet weten wat te moeten zeggen. Dat klopt: er valt niets, maar dan ook helemaal niets te zeggen. En erger: er valt niets te doen. Althans, er is niets wat we kunnen doen waardoor we het van onze naaste kunnen overnemen. Dit confronteert ons met onze eigen machteloosheid die ten diepste onze existentie tekent: wij zijn niet eigenmachtig. Doen, ik wil iets doen, maar ik kan niets doen. Ik ben gedrongen tot het loutere en ontluisterende er-zijn. Mijn machteloosheid is zowel een antwoord op haar die getroffen is, als een onthulling van mijn eigenste wezen. Ik kan er niets aan doen, niets aan veranderen en ik kan het zeker niet oplossen. Mijn wakkere aanwezigheid, schamel als zij aandoet, moet voldoende zijn.

Het ’liefheidsgehalte’ van de Hallmark-kaarten die hoe en waar dan ook in roze en geel aanwezigheid beloven, gaat oppervlakkig voorbij aan de moeite die het kost om voluit aanwezig te zijn. Want die aanwezigheid, die ziet er niet uit. Het heeft mij altijd verbaasd dat Jezus zich niet onmiddellijk uit de voeten maakte toen hij hoorde dat zijn vriend Lazerus op sterven na dood was. Pas op de derde dag vervaardigde hij zich naar hem toe te trekken. Wat deed Jezus in die dagen die hem van zijn zieke vriend scheidde? Die verloren tijd is een van de talrijke witregels die de Heilige Schrift kent. Het zijn de lege plekken waarin ik aan de hand van mijn verbeelding dwaal en dool. Maar al heeft hij zich in die pauze laveloos bedronken of zich verloren in een dispuut met de schriftgeleerden, dan nog zegt dat niets over zijn eigenlijke bewogenheid. Staar je niet blind op dat wat het oog ziet, zoals de bestraffende eega van koning David dat deed. Want we zijn slecht op de hoogte van de bewegingen van het hart, van onze gemoedsstemmingen, omdat we ons laten verleiden tot het zoeken naar oorzakelijke verbanden terwijl die door de stem van ons innerlijk vaak wordt tegengesproken en soms zelfs wordt aangeklaagd. In het licht van een werkelijkheid die materieel, evidencebased en protocollair is, klinkt die stem van het hart bevreemdend in de oren.

Kerkvader Augustinus verzucht in zijn liefdesverklaring, die zijn ’Belijdenissen’ ook zijn, dat hij zichzelf een vraagteken is geworden. David gaat in Psalm 139 nog een slag verder. In de eerste versregel bevestigt hij dat de Eeuwige hem doorgrondt. Dat verandert aan het einde in de smeekbede: ’Doorgrond mij, God, ken mijn hart’.

Dat de 150 psalmen zingend en zuchtend uit de krochten van onze ziel voor velerlei lezingen openstaan en dus elke stolling weerstaan, maakt hun schoonheid uit. Ze spreken uit het hart tot het hart en lachen om psychologische handboeken die de uitingen eendimensionaal duiden. We denken iets zeker te weten, iets een plaats in een of ander systeem te kunnen geven en dan, zonder aankondiging, wordt aan die wetenschap geknaagd. De dansende koning David beweegt zich binnen een enkel lied van zekerheid naar het door onzekerheid getekende verlangen.

Op dit punt in mijn leven aangekomen, geloof ik dat hij zingt vanuit een besef dat als hij zichzelf niet kan doorgronden, dan Hij toch alsjeblieft wél. We zijn onszelf een raadsel. Ik ben mijzelf een raadsel. Door onzichtbare en ongrijpbare ziekte uit de vanzelfsprekendheid van het leven gestoten, ben ik, buiten mijn eigen toedoen om, gevallen door het zorgvuldig geweven vangnet van oorzakelijke verbanden. Opeens is het niet meer zo duidelijk waar gevoelens of bewegingen van mijn gemoed vandaan komen, wat ze te betekenen hebben. Wat wel duidelijk is, is mijn hardnekkige, onverbeterlijke neiging om te ordenen, oorzaken te ontaarden. En steeds opnieuw vergeefs houvast te zoeken op wat de kale rotsen van een onherbergzaam innerlijk blijken te zijn.

De aanbevelingen zijn: geef je maar over, aanvaard je verwarring, zoek afleiding. Maar het is mistig, ik zie geen hand voor ogen en het is verraderlijk glad deze winter, lokaal zeggen ze, en ik weet niet waar of wanneer ik vallen zal – als je kunt vallen terwijl je al gevallen bent. De volstrekte kwetsbaarheid van het bestaan, zijn verborgen onzekerheid lijkt een bondgenootschap te hebben met de voor mij onnavolgbare gevoelsbewegingen van het hart.

Hoe gaat het met je? De vraag, hartverwarmend bedoeld, doet me vanbinnen graaien als vingers in los zand. Wist ik maar hoe het ging. Werd me dat maar verteld. Gezegd: zo is het en niet anders. Daar ben je en vandaar ga je verder.

Maar de grond onder mijn voeten is niet solide en richtinggevend, maar vloeibaar. Het is steeds anders; dat naar binnen geslagen besef dat het ook echt steeds anders kan zijn. Ik weet niet hoe vaak ik die onzekerheid beschreven heb – vanachter mijn bureau. Elk definitief antwoord, elk vastomlijnd model dat van alles en nog wat moest verklaren, elke regel die me een richting op duwde, bracht me tot razernij. Hoogmoedig wees ik elke houvast af.

Al begreep ik ze niet, ergens kon ik me wel vinden in de werken van respectvolle mystici die zongen over de ongrond, de diepe onwetendheid, de onzekerheid waarin ons bestaan gedrenkt is. Ja, in de dromerij van de reflectie, op veilige afstand van het rommeltje dat leven en werkelijkheid heet, heb ik in abstracto een toontje meegezongen. Niet gehinderd door ook maar enige ervaring, zeg ik nu – achteraf. Nu ik met terugwerkende kracht voel hoe ik jaren, en dat ook nog eens dwars door alles heen in volkomen onwetendheid, heb genoten van de voortvarendheid die de beheersing van mijn wereld mij in handen gaf. Ik, die in woord en geschrift hoog opgegeven heb over de onzekerheid, blijk een grootgebruiker van de zekerheidverschaffende beheersing geweest te zijn.

Goed, het was allemaal louter schijn, maar ik heb er een lief ding voor over om me weer te hullen in die zekerheid.

Ik begrijp die Israëlieten wel die morrend de exodus in gingen. Net als zij verlang ik naar de vleespotten van het angstland dat Egypte heet, zelfs al staan die potten voor slavernij. Nergens zoveel zekerheid, zoveel voorspelbaarheid, zoveel wetmatigheid die je slaapwiegend vasthoudt, als in de afhankelijkheid. En al ben ik wis en waarachtig in die zekere tijden dikwijls bevangen geweest door een ondefinieerbaar onbehaaglijke opgejaagdheid, ik bleef doen-alsof, vertrouwend op de onmiskenbare stap van mijn benen. Ik verzeker je: het werkt.

Jacob heeft met de Eeuwige gestreden als streed hij met zijn eigen onvermoede kant. En ging vervolgens met een geblesseerde heup mank door het leven. Ik wil ook wel een zichtbaar oorlogslitteken, een oorkonde, een bewijs. Ja, ook een tastbaar bewijs dat me dit niet meer zal overkomen. Dat ik mijn leven zeker ben, zelfs al weet ik dat geen sterveling me die geruststelling kan geven. Van meet af aan was ik een gemankeerd vrouwmens en nu ervaar ik het aan den lijve. Ik heb het gevoel dat me dat aan de andere kant plaatst. Daar, aan de kant, de zijde van ik weet het niet.

En daar, aan die kant, als je het kunt uithouden, is ook de ervaring van ’niemand weet het, niemand heeft het voor het zeggen’. Het zou me niet verwonderen als dat het beloofde land is. Veldheer Jozua sprak Gods volk toe met de woorden ’wees moedig en sterk’ toen het op het punt stond het land Kanaän te betreden. Vrees dus niet in het land dat je beloofd is. In dat land waar de wil tot weten geen macht meer heeft over ons.

Ze wilden me wel uitleggen hoe die radioactieve stralen precies werken, hoe ze zo nauwkeurig kunnen richten dankzij de lijnen die ze met Bruna-viltstift op mijn lichaam hadden getekend. Maar het leek mij een schier eindeloze bron van menselijk vernuft waar ik met mijn hersens toch niet bij zou kunnen komen. Allemaal door mensenhanden en verstand gemaakt. En de maan draaide zacht zoemend en brommend. Geheel uit vrije wil lag ik daar overgeleverd aan dat wat de techniek wel niet allemaal vermag heden ten dage.

Met een stille gelatenheid die mij volkomen vreemd was, voegde ik me naar het bestralingsrooster, mijn lichaam naar de vreemde handen die mij precies goed onder de matrix legden. Mijn lichaam waarin ik woon, jaren achtereen in gewoond heb zonder dat te weten. Mijn lichaam dat naar men zegt de tempel is van mijn ziel. In sommige bijbelvertalingen staat: ’De Eeuwige, mijn ziel’. Hoe kan Hij wonen in dat lichaam dat van mij is en dat daar roerloos ligt? Hoe kan Hij Zich daarin kenbaar maken als ikzelf niet eens begrijp wat dat lichaam beweegt?

Hoe gebrekkig ook, ik heb alleen taal, slechts woorden om te laten horen hoe ik, nu ontdaan van mijn schijnvoorstellingen, schoorvoetend het beloofde land betreed waar ik sinds mijn geboorte, onttrokken aan mijn bewustzijn, gewoond heb. Daar ontbreekt het mij aan niets. Niet omdat daar geen lijden en afzien is, geen gebrek aan geld of zorgen, maar omdat het daar, kunstig geweven in de schoot van de aarde, goed is.

Gaand van het ene naar het andere ogenblik, glijd ik weliswaar op de ijzel van wereldlijke onzekerheid maar ben ik niet zonder uw stok en uw staf. Want U bent de Eeuwige, mijn Herder. Mijn onuitsprekelijke ziel.

Tot hier dan ben ik aangekomen. Als een stoel op het water, een huis met ogen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden