Beeld Maartje Geels

ColumnNaema Tahir

Stil zijn is geen optie meer, maar...

In 2014 interviewde ik de Nigeriaanse auteur Chimamanda Ngozi Adichie in Amsterdam voor het John Adams Institute, over haar roman ‘Amerikanah’. Het hoofdpersonage in Amerikanah – Ifemelu, een Nigeriaanse vrouw – reist af naar de Verenigde Staten en merkt daar opeens dat zij als ‘zwarte vrouw’ wordt gezien. Haar zwart-zijn geldt in Amerika als haar belangrijkste identiteit. Op basis van die identiteit krijgt ze geen baan, wordt ze als mooi beschouwd, en wordt ze geacht verbonden te zijn met alle zwarte Amerikanen en hun historische strijd tegen het racisme.

Tijdens het interview kwamen Ngozi Adichie en ik te spreken over haar ervaringen met racisme en ze opperde dat ik die vast ook had. Ik zei toen dat ik er weinig van had meegemaakt en dat ik er nooit over schreef. Dat vond zij verrassend. Ze suggereerde dat ik er juist over zou moeten schrijven.

Ik heb er sindsdien vaak over nagedacht.

Al vroeg leerden mijn ouders mij om het niet over ras te hebben. Doe gewoon je ding. In The New York Times Magazine van 12 april schrijft de Aziatisch-Amerikaanse Cathy Park Hong iets dergelijks. Je zweeg liever over je racistische ervaringen als Aziatische immigrant. Je minimaliseerde ze. Maar dat weigert Park Hong intussen. Het racisme jegens Aziatische immigranten, met name Chinese, is sinds de ­corona-uitbraak toegenomen, ­omdat Chinezen worden gezien als de oorzaak van het virus. Stil zijn is geen optie meer, aldus Park Hong.

Daarbij komen de demonstraties tegen racisme, ­opgelaaid na de brute moord op George Floyd door een politieagent, een afgrijselijk verhaal dat niemand koud laat.

Wie stil is, keurt het racisme goed, hoor je overal

Met zijn allen buigen we ons nu over racisme. Stil zijn is geen optie meer. Wie stil is, keurt het racisme goed, hoor je overal. We horen nu dat er overal institu­tioneel racisme is, overal wit privilege, overal bewust of onbewust racisme.

Laat ik daarom twee verhalen vertellen.

Op mijn Brabantse school, jaren tachtig. Een klasgenoot vroeg me tijdens de pauze om mijn handpalmen aan haar te tonen. Daarna moest ik de ruggen van mijn handen laten zien. “Net als bij apen, wit van binnen, bruin van buiten”, zei ze. Opeens noemde ze me ‘Noema’ in plaats van Naema. Niemand zei er wat van. Zoals niemand protesteerde toen we voor ‘zwarte piet’ werden uitgemaakt in december van dat jaar, door kinderen met wie we toevallig ruzie kregen.

Maar ik heb ook een ander verhaal van toen we net in Nederland waren gearriveerd, 1980. We woonden in Breda. Zes kinderen, van een maand tot elf jaar oud. Op een dag werd aan de deur gebeld. We deden open. Niemand. Maar voor ons lag een kolossale doos met houten speelgoed. We prezen ons de gelukkigste kinderen op aarde. Na enkele dagen werd weer aangebeld. We stormden naar de deur. Weer een doos speelgoed. Weer niemand. Of toch wel? Daar beende een overbuur snel haar huis in. Ik zie haar nog voor me. Rok, pastelkleurige trui, donkerblonde golven. Ze was wit.

Martin Luther King zei ooit: ‘I have a dream that my four little children will one day live in a nation where they will not be judged by the color of their skin but by the ­content of their character’.

Dat is wat de buurvrouw deed. Met ras had dat niets te maken.

Naema Tahir is jurist en schrijver. Voor Trouw schrijft ze om de week een column. Lees ze hier terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden