null Beeld

ColumnHans Goslinga

Schutte verdient als ware democraat meer dan een afscheid in de kantlijn van het nieuws

Hans Goslinga

De meeste kranten duwden het voormalige Kamerlid Gert Schutte deze week na diens overlijden in een luciferdoosje de geschiedenis in. In zijn dagen een parlementaire reus, twintig jaar na zijn vertrek uit politiek Den Haag alweer bijna vergeten.

Het zegt waarschijnlijk iets over de status van de Tweede Kamer en over de kijk op de politiek, die meer wordt bepaald door de macht dan door de tegenmacht. Schutte kwam in 1981 de Kamer binnen onder de verkiezingsleus ‘Niet om de macht, maar om de kracht’. Hij doelde daarmee niet op de toonhoogte, maar op de kracht van het argument tegenover de macht van het getal.

Als vertegenwoordiger van het Gereformeerd Politiek Verbond, een voorloper van de ChristenUnie, groeide hij in de periode 1981-2001, de eerste acht jaar in zijn eentje, uit tot ‘het staatsrechtelijk geweten van het parlement’. Hij dankte die kwalificatie, naar eigen zeggen, aan de liberaal Frank de Grave.

Schutte deed vaak grommerig over die titel, omdat deze voor anderen gemakkelijk kon dienen als aflaat voor hun staatsrechtelijke zonden. Hij meende dat de Kamer als geheel in ons staatsbestel de rol heeft van het ‘volksgeweten’. Daarmee schiep je ook in één klap helderheid over de rolverdeling: de regering handelt, de Kamer oordeelt, zoals het in een democratie betaamt, als vertegenwoordiging van het volk.

Toeslagenaffaire toont het gelijk van Groen

Dat klinkt eenvoudig, maar dat is het niet, wat alleen al wordt bewezen door de nooit eindigende discussie daarover. De liberale premier Thorbecke voelde zich in zijn drang naar slagvaardigheid al gehinderd door Schuttes verre voorvader Groen van Prinsterer, die het als volksvertegenwoordiger zijn taak achtte ‘te onderzoeken of er op goede grond gebouwd wordt’. Dat was geen tijdverspilling, hield hij Thorbecke voor, maar tijdsbesteding.

Het toeslagenschandaal is het meest actuele bewijs van het gelijk van Groen. Had de Kamer maar scherper geoordeeld over de wetgeving, die tienduizenden onschuldige burgers in de ellende heeft gestort. In de ogen van de ongeduldige Thorbecke was het alsof Groen met zijn onderzoekingen ‘de zon wilde vervangen door Chinees vuurwerk’. Groen beriep zich op Calvijn (1509-1564), die meende dat regeren in het openbaar, begerenswaardig is, maar de verplichting tegenover het volk meebrengt consciëntieus te zijn.

Schutte redeneerde hierop door met de opvatting dat de rolverdeling tussen regering en parlement alleen maar goed kon functioneren in het licht van de openbaarheid. Bestuurders moesten zich verplicht voelen verantwoording af te leggen tegenover de volksvertegenwoordiging, die op haar beurt over alle relevante informatie moest kunnen beschikken. Onze politieke geschiedenis laat zien, zoals Schutte in 2002 in zijn Thorbeckelezing ook erkende, dat de nazaten van Calvijn net zozeer tegen dit leerstuk hebben gezondigd als de liberalen en sociaaldemocraten. Ik voeg eraan toe: de macht wint het altijd van de ideologie, welke dan ook. Daarin schuilt de betekenis van gezonde tegenmacht, gedragen door argumenten, niet door een schelle toon.

Calvijn woelt in zijn graf

Het zegt wel iets over zijn politieke moed dat Schutte het volksgeweten liet spreken in een tijd dat onder de christendemocraat Lubbers en de sociaaldemocraat Kok het coalitiemonisme hoogtij vierde. Het waren de jaren van de dichtgeplamuurde regeerakkoorden, waarin een opstandige CDA-senator de leden van de Tweede Kamer zelfs uitmaakte voor ‘stemvee’.

Schutte had er begrip voor dat coalitievorming in ons land van minderheden lastig is, maar het proces kon zuiverder. Een regeerakkoord moest de ministers binden, maar niet de coalitiepartijen, en zeker niet met huid en haar. Deze partijen zouden moeten volstaan met afspraken over het budget en over kwesties die explosiegevaar meedroegen. Op basis daarvan kon de formateur en beoogd premier dan ministers aanzoeken, met wie hij een regeerprogram zou uitwerken om zich aan het parlement te presenteren.

In dat geval zou de verantwoording voor het proces van machtsvorming echt wat voorstellen. Nu begroette de Kamer het vierde kabinet-Rutte als een soort natuurverschijnsel en is de tergend lange formatie voor het volk een zwart gat gebleven. D66, de partij van de openbaarheid en volksinvloed, kan ermee leven, Calvijn woelt in zijn graf. In ons politieke bestel trekken de macht, de bureaucratie en de gladstrijkers nog altijd te vaak aan het langste eind. Daarom zijn Kamerleden van het kaliber-Schutte, die tegen de keer ingaan op basis van inzicht in hun functie, courage, ambachtelijke ernst en kennis van het staatsrecht van meer dan evenredige betekenis. Schutte verdient als ware democraat dan ook meer dan een afscheid in de kantlijn van het nieuws. Een Schutte-zaal als bewijs van parlementair zelfbewustzijn zou nog het minste zijn.

Hans Goslinga schrijft elk weekend een beschouwing over de staat van onze politiek en onze democratie. Lees ze hier terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden