Column Rob Schouten

Schrijven over muziek is als dansen over een schilderij

Ik ben een groot liefhebber van muziek, dat wil zeggen van klassieke muziek, maar ik kan tegenwoordig ook de Stones wel aan en in sommige stemmingen honger ik naar Oscar Peterson of Count Basie. Waar ik niet tegen kan: operette en André Rieu. Ik schrijf niet veel over muziek omdat ik niet weet hoe dat moet. Hoe schrijf je over het effect van een enharmonische modulatie bij Schubert of dat ene prachtakkoord in Elgars celloconcert? 

Ik lees daarentegen graag schrijvers die het wel durven. In mijn jeugd las ik bijvoorbeeld alle boeken van Wouter Paap over componisten, naast Caspar Höwelers ‘XYZ der muziek’ en zo kom je toch nog heel wat aan de weet, over hun levens maar ook over de muziek zelf.

Voor mij ligt de verzameling muziekcolumns van Erik Voermans, met de titel ‘Eerste hulp bij klassieke muziek’. Natuurlijk denk ik direct dat ik die helemaal niet nodig heb want ik ben een soort van kenner, ik heb zelfs een blauwe maandag musicologie gestudeerd. Maar gelukkig, hij vindt het ook moeilijk: “Schrijven over muziek is net zoiets als dansen over een schilderij of taarten bakken over de vierkantswortel van 169”.

Deze man begrijpt mij

Toch doet hij het, eenvoudig want zo hoort het bij ‘eerste hulp’. Een heleboel van wat hij schrijft weet en voel ik al, of zou ik moeten weten en voelen maar hij schrijft het vlot en enthousiasmerend op zodat ik er weer zin in krijg, immers: ç’est le ton qui fait la musique. Maar vooral als hij over onbekende of moderne componisten praat spits ik de oren want dat zijn vaak blinde vlekken voor mij; ik ben, laat ik het maar eerlijk toegeven, toch vooral van de bekende tonale muziek. Dus wat moet ik met Kaija Saariaho en Toru Takemitsu? En Arvo Pärt en Einaudi vind ik natuurlijk kitsch, al vind ik dat Pärt-achtige stukje in de Hornbach-reclame in m’n hart best even mooi maar ik zal het nooit toegeven (nou vooruit dan). 

Maar het is juist omdat Voermans zo fijn en empathisch over Bach en Schubert praat dat ik ’m ook inzake Saariaho en Pärt geloof. Hij is een oekumenisch muziekliefhebber, iets is hem niet gauw te dol. Hij komt mij tegemoet door (in een stukje over Theo Loevendie) te schrijven: “U houdt niet van moderne muziek. U vindt het allemaal piepjanknor. U vindt dat er sinds Bach niets fatsoenlijks meer is gecomponeerd. Daarom luistert u niet naar moderne muziek.” Kijk, deze man begrijpt mij. Dan moet ik als wederdienst hém begrijpen en dus naar Theo Loevendie’s ‘Nachtegaal’ luisteren. 

Zo doet Erik Voermans dat, hij pakt je in en voor je het weet zoek je op Youtube naar zijn favoriete modernen. “Ik vind het zijn allermooiste werk, geloof ik”, schrijft Voermans over Loevendie’s stuk. Hij vindt vaak iets iemands allermooiste werk en je moet wel een verbitterde azijnpisser zijn om hem niet te geloven. ‘Dido’s Lament’ van Purcell, Bachs ‘Matthäus Passie’, Beethovens ‘Grosse Fuge’, Nono’s ‘Prometeo’ (hemel, wat schrijf ik nou?) allemaal allermooiste werken. En o ja, je komt ook nog allerlei dingen aan de weet: Schubert was 1,55 m. lang en Rachmaninov 1,98 (ik denk dat je het verschil kunt horen).

Eerdere columns van Rob Schouten leest u hier

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden