Rustig aan met begrotingssurplus

Het heeft lang geduurd voor er een kabinet kwam dat dermate overtuigd was van de gezondheid en daarmee de houdbaarheid van de overheidsfinanciën dat het durfde te investeren in de publieke sector. Nu het dan eindelijk zo ver is, blijkt de praktijk weerbarstig. Wat in jaren kapot ging door verwaarlozing, valt niet van de ene op de andere dag te herstellen.

Voor de voorzichtigheid van het kabinet voor Rutte III valt wel enig begrip op te brengen. De situatie die de voorganger van dit kabinet aantrof in 2012 is daar een indringend voorbeeld van. Dat kabinet kreeg te maken met een sterk verslechterend economisch klimaat en dito overheidsfinanciën, omdat het vorige kabinet met als gedoogpartner de PVV de steven niet kon wenden. Wilders dient daarvoor met terugwerkende kracht te worden bedankt. Dat zijn partij nooit meer tot die verantwoordelijkheid geroepen wordt.

Minister van financiën Wopke Hoekstra stelde gisteren in de Kamer bij de aanbieding van de stukken in het kader van Verantwoordingsdag dat de publieke sector door dit kabinet wordt gerehabiliteerd. Dat werd de hoogste tijd. Ons onderwijs, ons veiligheidsapparaat, onze zorg, onze infrastructuur, het zijn stuk voor stuk te kostbare verworvenheden om te verwaarlozen.

Achterstallig onderhoud kan echter niet in één kabinetsperiode, laat staan in één of twee begrotingen, worden weggewerkt. Dat er nu, zoals de Rekenkamer meldt, geld op de plank blijft liggen dat is bedoeld voor bijvoorbeeld het aantrekken van extra docenten is begrijpelijk en uiteindelijk onvermijdelijk. Geld was immers de afgelopen jaren niet het enige probleem. Door de heersende politieke ideologie is de maatschappelijke waardering voor werken in de publieke sector, als agent, verzorgende of als leraar, sterk afgenomen. Die waardering is niet zomaar terug als er meer geld voor de publieke sector wordt gereserveerd, al is het wel een belangrijke voorwaarde.

Nederland kent nu een aantal jaren een begrotingsoverschot, dat inmiddels oploopt naar twaalf miljard euro, rond 1,5 procent van de totale economie. Stemmen die pleiten dat geld in te zetten in de publieke sector worden luider en luider.

De bevindingen van de Algemene Rekenkamer zijn een belangrijk argument om niet met dat pleidooi mee te gaan. De ervaringen van het vorige kabinet zijn een belangrijke reden om dit geld ook niet consumptief aan te wenden, bijvoorbeeld voor een verhoging van de uitkeringen of een bevriezing van de AOW-leeftijd.

Doorgaan op de ingeslagen weg en zoveel mogelijk trachten gereserveerd geld ook uit te geven, lijkt de meest bedachtzame en daarmee de meest wijze weg.

Het commentaar is de mening van Trouw, verwoord door leden van de hoofdredactie en senior redacteuren. Meer commentaren leest u op trouw.nl/commentaar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden