Column

Pas later begon Duitsland voor mij een bestemming op zichzelf te worden

Stevo Akkerman: Dacht ik dat wij Nederlanders een zeldzaam problematische relatie met Duitsland hadden, dat bleek in het Oosten nog veel sterker het geval.Beeld Trouw

Enkele eeuwen geleden, toen we nog een familienaam hadden om ‘u’ tegen te zeggen, met ck en dubbel-n, verliet een van mijn voorouders het Duitse Waddeneiland Borkum om zich als gelukzoeker in Groningen te vestigen. 

Had hij dat niet gedaan, dan was ik op mijn elfde niet voor eerst op vakantie naar het buitenland geweest, dan was die Duitse fietstocht met mijn vader en mijn broer een binnenlands avontuur geweest. Zo betrekkelijk zijn de dingen.

Later, toen ik zeventien was, maakte ik in mijn eentje, ook weer per fiets, nog een tocht langs de Rijn, die me tot Keulen bracht. Maar daarna werd Duitsland vooral doorgangsland, één grote Autobahn die langs schone toiletten en vieze koffie naar spannender landen leidde; ik raakte in de ban van Roemenië en Tsjechoslowakije, met Hongarije als prettig tussenstation. Toen ik vervolgens in Praag ging wonen werd Duitsland het rijke buurland waar ik naartoe moest, in die eerste tijd na de val van het communisme, voor D-Marken en andere westerse spullen.

Het waren de jaren van de bloeiende landschappen in voormalig Oost-Duitsland - althans dat was wat Helmut Kohl de Ossies na de hereniging had beloofd. Zijzelf zagen er nog niet veel van. Ze klaagden zonder ophouden en wezen verongelijkt op het blijvende verschil tussen hen en de Wessies. Maar wij, vanuit Tsjechië, keken er anders tegenaan: wij vonden dat de Oost-Duitsers niet zo moesten zeuren. Zij kregen de welvaart in de schoot geworpen, terwijl de andere Oost-Europeanen er zelf voor moesten knokken.

Relatie

Intussen woedde in Tsjechië en Polen een onaangenaam politiek gevecht over de betrekkingen met het nieuwe Duitsland. Dacht ik dat wij Nederlanders, onder het motto ‘Eerst mijn fiets terug’, een zeldzaam problematische relatie met Duitsland hadden, dat bleek in het Oosten nog veel sterker het geval. De communisten hadden dat sentiment in de na-oorlogse decennia sterk gevoed en nu gingen de nieuwbakken democratische partijen er vrolijk mee door. 

Des te groter was mijn bewondering voor iemand als Vaclav Havel, die zijn landgenoten opriep tot zelfonderzoek, met name waar het ging om de verdrijving van de Duitse minderheid in de jaren 1945-1948. En voor de Duitse president Richard von Weizsäcker, die er van zijn kant alles aan deed om verzoening mogelijk te maken, zodat er niet alleen eeuwige vrede zou zijn tussen Berlijn en de buren in het westen, maar ook die in het oosten. Niet onbelangrijk voor het evenwicht in Europa.

Pas nadat ik al lang en breed was teruggekeerd in Nederland, begon Duitsland een bestemming op zichzelf te worden, en dan vooral Berlijn. De stad kan in schoonheid niet tippen aan Praag, maar nergens anders ligt zoveel zware geschiedenis opgestapeld; elke steen heeft hier betekenis. Afgelopen zomer zag ik hoe Duitse scholieren ’s avonds bij de Reichstag, aan de oever van de Spree, keken naar de levensgrote video-presentatie over de geboorte van de na-oorlogse Duitse democratie. Hun applaus na afloop ontroerde me, omdat democratie nooit vanzelf spreekt, hier niet, nergens niet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden