column

Over lumpsum beslis je zo dicht mogelijk op de werkvloer

Beeld Maartje Geels

Sommige mensen zijn principieel ­tegen de lumpsumfinanciering; zij vinden het hele idee van schoolbestuurders die zomaar een grote zak geld overhandigd krijgen, een verwerpelijk idee.

‘Ondernemertje spelen’ heet het dan smalend; het zijn geen echte zakenlui – het is toch een beetje een mislukt volk die bestuurdertjes – het is allemaal een beetje voor spek en bonen, en per slot van rekening: wat weten die er nou van, van écht ondernemen. En dan zijn er nog van die verhalen waarbij het ‘ondernemen’ helemaal misging: Amarantis, ROC Leiden, en waarbij de belastingbetaler of andere schoolbesturen mochten opdraaien voor de schade die grijzende mannen in pakken hadden aangericht. Het helpt allemaal niet.

Toch ben ik niet tegen de lumpsum. Ten eerste omdat beslissingen over hoe geld het verstandigst besteed kan worden, ergens moeten worden genomen. Wat mij betreft gebeurt dat zo dicht mogelijk op de werkvloer. ‘Den Haag’ lijkt me niet alleen qua afstand, maar ook qua niveau van functioneren ongeschikt om centralistisch te bepalen hoe dat allemaal zou moeten.

Punt twee: de lumpsumfinanciering is al lang en breed een bewezen goede financieringsmethode. Universiteiten worden al ruim een halve eeuw op deze wijze bekostigd, daarna volgde het mbo, en toen dat goed bleek te werken volgde eind twintigste eeuw het voortgezet onderwijs en uiteindelijk in 2006 ook het primair onderwijs.

Bijzaken

Nu is er wel veel kritiek op de lumpsum, maar als we er goed naar kijken, is het helemaal geen kritiek op de lumpsum zelf, maar meer op de bijzaken, zoals de manier waarop besturen verantwoording afleggen over hun bestedingen, of hoe medezeggenschap georganiseerd is binnen een bestuur. Geen onterechte kritiek, overigens.

Mijn grootste lumpsum-ergernis is ongetwijfeld de manier waarop de hoogte ervan bepaald wordt. Dat gaat namelijk langs een ingewikkelde ­rekenmethode, waarvan de gebruikte onderdelen allemaal zwaar verouderd zijn, waardoor uiteindelijk de vraag nog steeds blijft liggen of het nu voldoende is wat schoolbesturen aan ­financiële middelen ontvangen. OCW vindt heel consequent dat schoolbesturen genoeg geld ontvangen. Schoolbesturen vinden heel consequent van niet. OCW wijst naar oplopende financiële reserves, schoolbesturen wijzen op dalende inkomsten per leerling of student. Wie heeft er het grootste punt? Het valt moeilijk te zeggen.

De Tweede Kamer is dit gegoochel met getallen nu al een tijdje zat, en de ministers kondigden daarom vorige week via een Kamerbrief tal van maatregelen aan. De hoognodige hand in eigen boezem, waarbij er gekeken wordt of het Rijk wel voldoende uittrekt voor onderwijs, bleef jammerlijk achterwege. Zo overtuigd van hun zaak zijn ze dus ook weer niet. Het is nu afwachten of de Kamer het antwoord echt wil weten.

René Kneyber deelt zijn ervaringen als wiskundeleraar op het vmbo.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden