nederland, zwolle, 06-07-2019 ||. foto reyer boxem || Eerste column (van de 7) van de Iraaks-Ned dichter en schrijver Rodaan Al Galidi Beeld reyer boxem

Column Rodaan Al Galidi

Op Curaçao gaat het net even anders dan in Nederland

Daar stond ik. Zomaar. Op Curaçao. Om zeven minuten gedichten voor te dragen op een festival. In Nederland meld ik me altijd aan bij de organisatie van een festival. Zit ik even. Krijg ik twee bonnetjes voor twee drankjes. Als ik iemand mee heb genomen, checken ze of hij op de gastenlijst staat, en als dat zo is, krijgt hij ook twee bonnetjes voor twee drankjes. Ik dacht dat het op Curaçao hetzelfde zou gaan, maar het ging ietsje anders.

Ik liep naar de doorgegeven locatie en zag in de verte de plek liggen waar het festival zou zijn. Niet omdat er posters hingen of borden stonden, maar vanwege de rook van zeker drie barbecues en het vuur onder pannen met allerlei soorten gerechten erin. Als de hond van Pavlov kon ik niet wachten met aanmelden, want het wa­ter liep me in de mond. Er stonden allemaal tafeltjes met kleurige kleedjes op het strand en er liepen koks in witte kokskleren rond en vrolijke vrouwen, die praatten en lachten met de koks. De geuren van allerlei kruiden vermengden zich met de zilte zeebries en de lucht die opsteeg van het warme zand.

Er was geen ontvangstbalie of receptie. Of laat me een beetje poëtisch zijn, de oceaan was de recep­tie. Terwijl ik zocht naar de plek om me aan te melden, keek ik of ik het podium ergens zag. Ik stond midden tussen de tafeltjes, draaide 360 graden rond, maar zag niets om op te staan. Wel stond er, zoals soms in de woestijn, een dor stammetje dat boven alles uitsteekt, een microfoontje. Ik dacht: daar moet het podium zijn. Ik liep naar de microfoon, tikte erop met mijn wijsvinger, maar hoorde niets. Ik zei ‘hallo, hallo’, maar hoorde niets.

Een vrouw tikte me op mijn schouders. “Niet nu”, zei ze. “Eerst eten, daarna de poëzie.” Het was een stevige vrouw, met wie je alles zou kunnen, zelfs haar ten huwelijk vragen, maar niet haar boos ma­ken. Met het gezicht van een mo­del en het lichaam van een sumo­worstelaar.

“Wie ben jij?”

“Een dichter.”

“Ik zie dat je mager bent, dichters moeten ook eten. Kom mee”, zei ze en pakte mijn hand.

Ik ga niet liegen en zeggen dat het de zachtste hand was. Het was een bankschroef. Met elke stap werd de greep steviger en mijn hand harder geperst. Het zweet brak me uit. We stopten bij een tafeltje. Ze zei me niet te gaan zitten, maar vroeg: “Heb je honger?”

Ik zakte in de stoel en begon mijn optreden.

De Iraaks-Nederlandse schrijver en dichter Rodaan Al Galidi is onze Zomertijd-columnist. Volgend jaar toert de voorstelling ‘Hoe ik talent voor het leven kreeg‘ door het land, gebaseerd op zijn gelijknamige boek.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden