De duistere zijde van humorEssay

Moeten witte grappenmakers een stapje terug doen of is fatsoen voor buiten het theater?

Beeld Jenna Arts

Hoe leuk is het als witte mannen publiekelijk feministen en antiracisten op de korrel nemen? Van Ivo Nieuwenhuis, cabaretrecensent van Trouw, mag het wel een tandje minder. Cabaretier Micha Wertheim pleit voor het tegendeel.

Nieuw ­bericht in mijn mailbox, begin september: ‘Voorstelling van Theo Maasen op tv gezien afgelopen weekend. Daarna jouw ‘recensie’ van mei 2019. Wat een tenenkrommend moralistisch deugcommentaar heb je geschreven. Om daar een diepe zucht over te slaken hoef je bepaald niet in de rechtspopulistische hoek te zitten. Brrrr...’

Om eerlijk te zijn verraste deze reactie op mijn recensie van Maassens voorstelling ­‘Situatie gewijzigd’ in Trouw mij nauwelijks. Ik leverde hierin felle kritiek op de inhoud van deze show, waarin Maassen naar mijn oordeel op een nogal gemakzuchtige manier feministen en antiracisten op de korrel nam en zichzelf als het slachtoffer van hun activisme presenteerde. Wie zo’n mening ­verkondigt, krijgt tegenwoordig al snel het verwijt tot de ‘deugpolitie’ te behoren, die met een opgeheven vingertje vertelt welke grappen wel en niet zijn toegestaan.

Ook Dick Zijp, cabaretcriticus voor De Groene Amsterdammer en wetenschappelijk onderzoeker van cabaret aan de Universiteit Utrecht, heeft dit verwijt al meermaals ­gekregen. Toen hij in een recensie beweerde dat Daniël Arends in zijn show ‘De Afterparty’ racistische stereotypen bevestigt, leverde hem dat zelfs de beschuldiging op dat hij niet zou begrijpen hoe humor en ­ironie werken.

Dit soort voorbeelden staan niet op zichzelf. Ze zijn onderdeel van een veel breder maatschappelijk conflict dat de laatste jaren woedt rondom humor. Hierin staan mensen die pleiten voor de mogelijkheid om ongestoord overal grappen over te kunnen maken tegenover figuren als Zijp en ikzelf, die wijzen op de negatieve gevolgen die humor regelmatig heeft voor groepen die er structureel zwakker voorstaan in de samenleving, zoals vrouwen, migranten en seksuele minderheden.

Volgens de eersten staat de vrijheid van ­humor momenteel flink onder druk. Er zou sprake zijn van een zorgelijke toename van (zelf)censuur. De voorgenomen beëindiging van het SBS-programma ‘Veronica Inside’ naar aanleiding van een Zwarte Piet-grap van Johan Derksen over rapper Akwasi, en het verwijderen van het ludiek bedoelde bordje ‘Allahs ­afbakbar’ op festival De Zwarte Cross in 2019, zouden dit onder meer bewijzen.

Theo MaassenBeeld ANP Kippa

Zelf geloof ik dat er iets heel anders aan de hand is. Theo Maassen heeft vooralsnog alle vrijheid om de grappen te maken die hij wil, en hij verdient daar een aardige boterham mee. ­Veronica Inside is sinds 11 ­september weer gewoon op de buis te zien. Wat wel veranderd is, ten opzichte van een ­aantal jaar geleden, is dat humor vaker openlijk kritiek of weerstand oproept. Ik zie dat echter niet zozeer als een gevaarlijke beknotting van de vrije meningsuiting, maar als een vorm van gezond debat.

Om dat debat goed te snappen, moeten we even terug in de tijd, naar de ‘vrije’ jaren negentig. Jiskefet-coryfee Michiel Romeyn memoreert graag dat er toen van alles op ­humorgebied gebeurde dat tegenwoordig echt niet meer zou kunnen. Het was niet ­alleen de tijd van de Lullo’s en Debiteuren/crediteuren, maar ook van Hans Teeuwen die op het podium vertelde dat hij een zieke oude non ‘in de bek wilde schijten’ en jeugdtelevisie vol verwijzingen naar seks en drugs van ‘Rembo en Rembo’.

Afgaand op dit soort voorbeelden, lijkt het soms wel alsof er in de jaren negentig niet alleen geografisch maar ook in morele zin geen grenzen meer bestonden. Je kon zo grof zijn als je wilde en het leek niemand echt te deren. Toch is dat niet helemaal waar. De zogenoemde afzeiktelevisie van Paul de Leeuw leidde destijds wel degelijk tot controverse. Nadat hij in 1992 in een van zijn programma’s een kind belachelijk had gemaakt, werd De Leeuw op het matje geroepen door de Vara en moest hij zich zelfs ­publiekelijk verantwoorden in het Jeugdjournaal.

Bovendien vormen de jaren negentig in historisch opzicht vooral de uitzondering die de regel bevestigt. Ophef rondom humor is zo oud als de weg naar Rome en heeft komieken er zelden van weerhouden om grappen te blijven maken. Eerder geldt het omgekeerde: de sfeer van het clandestiene en grensoverschrijdende maakt humor vaak des te aantrekkelijker voor het publiek, zoals ­bijvoorbeeld de grote vraag naar verboden satirische pamfletten in de zeventiende en achttiende eeuw aantoont.

Tot slot is de vergelijking tussen de jaren negentig en nu niet zo zwart-wit als ze vaak wordt voorgesteld. Er wordt tegenwoordig misschien sneller kritiek geleverd op humor op televisie en in de publieke ruimte dan zo’n twintig jaar geleden, maar daar staat ­tegenover dat in de krochten van het internet, op platforms als 4chan, de grensoverschrijdende humor weliger tiert dan ooit. De antisemitische memes die daar circuleren bereiken doorgaans niet de mainstream­media, maar we weten inmiddels dat hun ­invloed op het politieke landschap niet ­onderschat moet worden, met name in de Verenigde Staten.

Wiens vrijheid?

Hoewel de verschillen tussen de jaren negentig en nu dus enigszins gerelativeerd moeten worden, staat buiten kijf dat er dingen veranderd zijn. Anno 2020 is er meer openlijk debat over de wenselijkheid van ­bepaalde grappen, waarbij met name humor ten koste vrouwen en seksuele of etnische minderheden veel vaker dan voorheen ­kritiek oproept. Dat kun je zien als een ­inperking van de vrijheid van meningsuiting, maar de vraag is dan wel over wiens vrijheid we het precies hebben.

Het probleem van het vrije menings­uiting-argument is namelijk dat het vaak nogal eenzijdig geïnterpreteerd wordt. De een krijgt wel de vrijheid om te zeggen wat hij wil, terwijl de ander de vrijheid wordt ontzegd om daar kritisch op te reageren. Dat laatste wordt immers onmiddellijk als censuur geframed, waarmee de kritiek feitelijk wordt doodgeslagen. Of de critici krijgen te horen dat ze lange tenen hebben, niet tegen een grapje kunnen, wat een minstens zo ­dodelijk verwijt is.

Daar komt nog bij dat degenen die het recht opeisen om overal grappen over te ­mogen maken bovengemiddeld vaak witte (heteroseksuele) mannen zijn – Theo Maassen, Youp van ’t Hek, Johan Derksen. Vrouwen en seksuele of etnische minderheden vormen juist een populair mikpunt van hun grappen. Denk aan de pisnicht-affaire rond Van ’t Hek en de vele sneren van Derksen richting Sylvana Simons.

De maatschappelijke positie van die twee groepen is ongelijk. Witte mannen domineren nog altijd de media en politiek, evenals het comedycircuit. Door hun critici weg te zetten als verongelijkte slachtoffers die geen gevoel voor humor hebben houden zij op een gewiekste manier de heersende machtsverhoudingen in stand. In naam van de vrijheid ontzeggen zij meer marginale stemmen in het publieke debat de mogelijkheid om hun positie ter discussie te stellen. Wat ze feitelijk opeisen, is het recht om niet tegengesproken te worden.

Omhoog- en omlaagtrappen

Dat specifiek humor zo vaak leidt tot bot­singen tussen dominante en marginale ­sociale groepen is geen toeval. Humor is ­namelijk bij uitstek een politiek geladen ­verschijnsel, dat vrijwel altijd raakt aan de bestaande machtsverhoudingen binnen een sociale groep of samenleving. Het cliché wil daarbij dat goede humor vooral omhoogtrapt, dus machtsfiguren als ministers en popsterren belachelijk maakt. De praktijk leert dat humor die omlaagtrapt het vaak minstens zo goed doet. Comedians weten nog altijd de ­lachers op hun hand te krijgen met flauwe grappen over vrouwen die niet kunnen autorijden en homo’s die zich verwijfd gedragen.

In het wetenschappelijk onderzoek naar humor is er de laatste jaren steeds meer aandacht gekomen voor dit soort sociale patronen. Zo legde socioloog Giselinde Kuipers de machtsdynamiek achter de crisis rond de Deense Mohammedcartoons bloot, waarbij ze concludeerde dat moslimmigranten in westerse landen tijdens deze crisis feitelijk in een onmogelijke positie werden geplaatst. Wanneer ze zich beledigd voelden door de cartoons, werd dit geweten aan een ontbrekend gevoel voor humor, wat dan nog maar eens bewees dat ze ‘onwesters’ waren. ­Ruimte om daadwerkelijk een tegengeluid te laten horen was er vrijwel niet.

Het onderzoek van Dick Zijp suggereert dat ook het Nederlands cabaret, ondanks de reputatie van progressief baken en vrijplaats van humor, de heersende orde in het algemeen eerder bevestigt dan bevraagt. Cabaretiers als Maassen en Van ’t Hek koketteren graag met hun rebelsheid, maar bespotten meestal vooral dat wat afwijkt van de bestaande politieke consensus, of het nu radicaal activisme of de orthodoxe islam is.

Onderzoekers als Kuipers en Zijp wijzen ons op ‘the dark side of humour’, het feit dat humor niet alleen staat voor vrolijkheid, vrijheid en kritiek, maar ook voor agressie, onderdrukking en de bescherming van heersende machtsverhoudingen. Maassens show ‘Situatie gewijzigd’ en de grappen van Derksen vormen bij uitstek een voorbeeld van dat laatste.

Johan DerksenBeeld Hollandse Hoogte / ANP Kippa

Bewust zijn van die donkere kanten van ­humor is cruciaal om de recente discussies rondom publieke grappen op waarde te ­kunnen schatten. De stilzwijgende aanname van de vrijewoord-adepten is dat humor per ­definitie een positieve kracht is, waar uit­eindelijk iederéén in de samenleving baat bij heeft. Het actuele humoronderzoek weerspreekt dit. Er zijn geen universele wetten voor de werking en sociale effecten van ­humor. In plaats daarvan is de context allesbepalend. Anders gezegd: het doet ertoe wie een grap maakt, tegenover wie en in welke situatie.

Waar ik mij tegen verzet is dan ook niet het gebruik van grensoverschrijdende humor an sich. Niet iedere grap over vrouwen, homo’s of mensen van kleur is auto­matisch ongewenst. Wél problematisch vind ik de trend waarbij voornamelijk witte mannelijke comedians eisen dat ze ongestoord grappen kunnen blijven maken over groepen en personen met een minder dominante sociale positie dan zij. Daarmee miskennen ze niet alleen hun eigen geprivilegieerde ­status, maar blokkeren ze ook de mogelijkheid voor minder geprivilegieerde groepen om tegenspraak te bieden.

Naast het openstaan voor tegenspraak en debat, gaat het hier ook om het vinden van meer balans. De toenemende aanwezigheid van vrouwen en minderheden in het comedycircuit leidt nu al tot meer humor die wel gewaagd, maar niet normbevestigend is. Een mooi voorbeeld vormt Sara Kroos, die in haar shows openlijk breekt met het taboe op het praten over depressie.

De kern van de zaak is dat we moeten erkennen dat humor nooit onschuldig is, dat het slachtoffers maakt en dat die slachtoffers niet zelden in de hoek zitten waar ook buiten humor om de zwaarste klappen vallen. Dat heeft uiteindelijk weinig te maken met moralisme of lange tenen, maar des te meer met een oprechte betrokkenheid bij de ­samenleving en hoe die op dit moment ­georganiseerd is.

Naast vrijheid is ook gelijkheid in westerse samenlevingen een groot goed. Om dat laatste te bereiken, zullen leden van dominante sociale groepen soms een stapje terug moeten doen.

Bio

Ivo Nieuwenhuis (1985) is universitair docent Nederlandse letterkunde aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij onderzoekt de politieke implicaties van humor. Daarnaast is hij voor Trouw cabaretcriticus.

Theo Maassen wilde niet reageren op dit artikel. Zijn pro­gramma ‘Situatie ­gewijzigd’ is te zien op npostart.nl met een NPO Plus ­account.

Kunstenaars moeten juist wél alles kunnen zeggen op het podium, stelt cabaretier Micha Wertheim. Het theater is de plek om de spanning tussen wie we zijn en zouden willen zijn, bespreekbaar te maken. Inclusief ons seksisme en onze xenofobie.


Toen ik anderhalf jaar geleden de ­recensie onder ogen kreeg die Ivo Nieuwenhuis schreef over Theo Maassens voorstelling ‘Situatie gewijzigd’, maakte zich een licht triomfantelijk gevoel van mij meester. Een van de meest gevierde komieken van ons land kreeg 2 sterren van de ­recensent die mijn voorstelling twee maanden eerder 5 sterren had toegekend.

Dat gevoel van triomf maakte plaats voor ongemak toen ik de voorstelling van Maassen een half jaar later met eigen ogen zag. Ongemak over het feit dat de recensent niet gezien had wat ik zag: een cabaretier op de toppen van zijn kunnen die in een prachtig decor een even hilarische als pijnlijke monoloog afstak.

Gezeten op een gestileerde apenrots opent en sluit de voorstelling met Maassen die zichzelf als een gorilla op de blote borst klopt. (Voor ik word beticht van speciesisme: gorilla’s zijn hoogst intelligente en ­sociale dieren die veel meer kunnen dan conformeren aan een achterhaald stereo­type. ) Die opening en afsluiting waren voor mij de aanhalingstekens waar alles wat de rest van de avond gezegd werd, tussen geplaatst kon worden.

Alsof die bijsluiter nog niet genoeg was had Maassen zichzelf ook nog in een rood overall gehesen. Daarin deed hij deed denken aan een krijgsgevangene. Een opgejaagde man, die gevangenzit in zijn eigen gelijk.

Aanhalingstekens die wat mij betreft niet eens nodig waren geweest omdat Maassen zijn voorstelling in een theater speelde. Niet in de Tweede Kamer en niet tijdens een manifestatie voor gemarginaliseerde witte heteroseksuele mannen van middelbare leeftijd die protesteren tegen het matriarchaat.

Het is waar dat theaters gedwongen door bezuinigingen steeds vaker lezingen programmeren. Ook is het zo dat steeds meer cabaretiers het zichzelf makkelijk ­maken door lezingen te geven over hoe gelukkig te worden, of waarom we de overheid en de wetenschap niet mogen vertrouwen als het om de aanslagen van 11 september gaat. Maar Maassen had er echt alles aan ­gedaan om duidelijk te maken dat we hier niet van doen hadden met een politiek ­betoog of een maatschappelijk college.

Maassen is een kunstenaar die zichzelf als hij in vorm is, zo radicaal mogelijk bevraagt. Zonder zich zorgen te maken over de wenselijkheid van wat die vragen naar boven brengen. Dat is een riskante bezigheid. Je laat alle teugels los om te kijken waar je ­verbeelding mee op de proppen komt.

Hans TeeuwenBeeld Hollandse Hoogte / ANP Kippa

Deze manier van maken contrasteert met de wijze waarop veel gesubsidieerde makers tewerk gaan. Die worden immers al bij het aanvragen van de subsidie gedwongen onder woorden brengen wat ze van plan zijn te maken.

Ik heb veel schitterende gesubsidieerde voorstellingen gezien. Maar het voorrecht van ongesubsidieerd theater is dat de maker vrijer is om zich te laten verrassen door zijn eigen verbeelding.

Dat klinkt misschien wat esoterisch maar toch werkt het zo. Vaak begin ik bij het maken met een aantal grappen die mij zomaar te binnen schieten. Die grappen probeer ik aan elkaar te praten en al doende groeit er een voorstelling.

Persoonlijk ben ik heel blij dat er kunstenaars zijn die dat nog doen en durven. Ze geven mij de kans te reflecteren op de contradicties van wat ook wel de menselijke conditie wordt genoemd. Namelijk ons onvermogen om wie we zijn te laten aansluiten bij wat er van ons verwacht wordt.

Huurmoordenaar

De Israëlische schrijver Etgar Keret vergeleek zijn vak daarom ooit met dat van een huurmoordenaar. Als die morele beslissingen gaat nemen kan hij net zo goed helemaal stoppen.

Wat de vergelijking sterk maakt is dat Keret erkent dat er een gevaarlijk en ongemakkelijk randje zit aan kunst. Een randje waar we ons aan kunnen snijden. Dat pijn doet als we het aanraken. Maar als we die pijn en dat ongemak niet willen, als we de kunstenaar vragen dat wat we ongepast ­vinden te vermijden, ontnemen we de ­maker en onszelf de kans om kennis te ­maken en vrede te sluiten met onze donkere kant.

Je hoort tegenwoordig vaak dat kunst inclusief moet zijn. Dat is een pijnlijk misverstand. Kunst is bij uitstek exclusief. Kunst is, op therapie na misschien, de enige omgeving waarin we helemaal particulier en eerlijk kunnen zijn. Waar we ons met onszelf bezighouden zonder ons zorgen te maken over wat anderen daarvan vinden of denken. Natuurlijk wil ik een kunstenlandschap waar voor iedereen plekjes zijn die aansluiten bij wie ze zijn. Maar om te slagen zal kunst altijd particulier moeten zijn.

Het is waar dat cabaret ook een sociaal aspect heeft. Maar mensen in een theaterzaal beleven de voorstelling ieder op hun ­individuele manier. Het sociale aspect zit hem erin dat ze zich gesterkt weten door de gedachte dat ze niet alleen zijn in hun eenzaamheid. Ook de cabaretier en de mensen in zaal staan er alleen voor.

Humor is bij uitstek geschikt om de spanning tussen wie we zijn en wie we ­zouden willen zijn, bespreekbaar te maken. De cabaretier geeft vorm aan dat wat in ons allen verborgen zit en waar we de vinger niet op kunnen leggen. De lach komt voor het morele oordeel uit. Hij confronteert ons daarmee op een bevrijdende manier met ­onze innerlijke tegenstellingen. En ja, ook seksisme en xenofobie zijn onderdeel van wie we zijn. 

Gelukkig is Keret geen moordenaar ­geworden maar schrijver. Zoals Maassen cabaretier is geworden en geen politicus. Toch lijken Nieuwenhuis en met hem steeds meer mensen, het onderscheid tussen politiek en theater niet langer te accepteren. De gedachte dat kunst amoreel zou zijn wordt verworpen.

Zo wijst Nieuwenhuis erop dat Maassen er een goede boterham mee verdient. Dat lijkt een detail. Maar het verraadt de gedachte dat kunst hetzelfde is als amusement. Een economische transactie. Dat zal vast zo zijn, maar het gaat volledig voorbij aan de werkelijke waarde van kunst.

Het zou even absurd zijn om Nieuwenhuis te beoordelen op het feit dat hij betaald krijgt voor zijn schrijven. Als dat een argument was, zou je hem kunnen verwijten dat hij als witte man de positie die hij heeft ­beter kan afstaan aan iemand wiens stem we minder vaak horen en die wellicht beter begrijpt wat de consequenties van seksisme en racisme zijn.

Begrijp mij goed, ik geloof daar niet in. Liever beoordeel ik hem op de inhoud van zijn argumenten. Maar het is die manier van denken die met een terloopse opmerking over een goed belegde boterham, door de argumentatie van Nieuwenhuis heen schijnt.

De grens tussen satire en politiek

Wat niet wegneemt dat de grens tussen satire en politiek de afgelopen jaren steeds poreuzer is geworden. Niet alleen spreken steeds meer theatermakers zich in hun ­voorstelling expliciet politiek uit, ook populisten gebruiken ironie en satire om op sociale media via een omweg racistische en antisemitische ideologieën te steunen. Wie hen daarop aanspreekt krijgt inderdaad het verwijt geen gevoel voor humor te hebben of ­tegen de vrijheid van meningsuiting te zijn.

Nog onduidelijker wordt het bij een ­programma als ‘Veronica Inside’ waar voortdurend in het midden hangt of het de heren er nu om gaat grappig te zijn, of dat ze daadwerkelijk politiek bedrijven. Al is er best wat voor te zeggen dat ook hun ‘kantinegesprek’ begrepen moet worden binnen hun eigen context.

“Wat ze feitelijk opeisen, is het recht om niet tegengesproken te worden”, schrijft Nieuwenhuis over de mensen die het vrije woord opvoeren om zichzelf te verdedigen. Dat zal voor veel mensen gelden, maar het is een verkeerde karakterisering van wat een kunstenaar beoogt te doen. Maassen was juist de hele avond bezig zichzelf tegen te spreken. Zoekende naar de gaten in zijn en onze eigen denkpatronen. ‘Situatie Gewijzigd’ was geen uitroepteken maar een ­vraagteken.

Toen Tipper ­Gore, de voormalige echtgenote van Al, in 1984 met haar dochter naar de plaat ‘Purple Rain’ luisterde, schrok ze zo van de expliciete manier waarop over masturbatie werd gezongen, dat ze de ­Parents Music ­Resource Center ­oprichtte. Zo hoopte ze door ouders te ­informeren iets te doen aan de toename van verkrachting en zelfdoding onder jongeren. Ze wilde niets verbieden. Alleen een discussie op gang brengen.

Thierry BaudetBeeld Hollandse Hoogte / ANP

Het was alleen geen discussie. Voor een discussie is welwillende inleving nodig in wat de motieven van de ander zijn. Als ­Thierry Baudet zogenoemde memes gebruikt om onder het mom van een grapje zijn extreem-rechtse achterban te bedienen, misbruikt hij die welwillendheid.

Dat verwijt kun je iemand die letterlijk het theater als podium kiest moeilijk ­maken. Verkleed als aap en verkleed als ­gevangene (van zijn eigen gelijk) opent Maassen de sluizen van zijn eigen onredelijkheid, twijfel en woede. Zodat wij wat lucht krijgen en en passant ons eigen morele kompas kunnen bijstellen.

Het is mogelijk dat sommige mensen na het beluisteren van Prince aandrang krijgen om iemand te verkrachten, maar het zou mij zeer verbazen als dat de intentie van Prince was.

Dat Nieuwenhuis tegen racisme en ­seksisme is, valt te prijzen. Of Theo Maassen voor racisme en seksisme is zou iemand hem eens moeten vragen. Met zijn voorstelling heeft het weinig van doen. Ik verbeeld mij zelfs dat een voorstelling vol ongemakke­lijke grappen en redenaties mij juist helpt om als ik weer buiten sta, een zo fatsoenlijk mogelijk leven te leiden.

Ongemakkelijke en eenzame momenten

Wat niet wegneemt dat ook ik vaak op de proef word gesteld. In de vorige voorstelling van Maassen zaten een paar grappen waar ik niet om kon lachen. De mensen om mij heen deden dat wel. Dat gebeurt mij wel ­vaker als ik in het theater zit. Het zijn ­bijzonder ongemakkelijke en eenzame momenten. Maar ook de momenten waarop ik mijzelf toe moet spreken. Mijzelf moet dwingen welwillend te zijn en te accepteren dat ik niet met iedereen in een gevulde zaal op dezelfde golflengte kan zitten. Sterker nog, de meeste theatervoorstellingen vind ik niet om aan te zien. Maar ik troost mij met de gedachte dat andere mensen weer geen enkele aansluiting voelen bij wat mij raakt. Dat is heel jammer, maar het zou pas echt eng zijn als iedereen het steeds maar eens was.

De verontwaardiging over de voorstelling van Maassen doet mij dan ook denken aan een stripje van Fokke en Sukke die ­woedend weglopen nadat hun psycholoog ze een rorschachvlek heeft laten zien: ‘Bah viespeuk!’ roept de eend, ‘met z’n gore ­plaatjes!!!’ voegt zijn vriend de kanarie eraan toe.

Betekent dit dat Maassen dan helemaal geen verantwoordelijkheid heeft? Natuurlijk niet. Zijn verantwoordelijkheid is om een coherente voorstelling te maken, die grappig is, waarin nagedacht is over de vorm, die ­oprecht is en zo meedogenloos mogelijk. Aan al die voorwaarden voldeed hij in ‘Situatie gewijzigd’.

Dat brengt mij bij de verantwoordelijkheid van de criticus. Die bewijst de kunsten geen dienst door mee te doen aan het afbreken van de context waarbinnen kunst op een ongevaarlijke manier gevaarlijk kan zijn. Dat is niet alleen zinloos maar ook zonde. Zeker nu die context zwaar onder druk staat.

Kunstkritiek kan heel waardevol zijn. Een recensent kan aangeven voor wie een voorstelling de moeite waard zou kunnen zijn en waarom. Het lovende stuk dat Nieuwenhuis terecht over mijn laatste voorstelling schreef was daar volgens mij een perfect voorbeeld van.

Nog leuker wordt het als de criticus zelf aan het interpreteren gaat. Wat vertelt de voorstelling ons over wie we zijn, over de wereld waar we in leven, en hoe we daarnaar kunnen kijken. Dat zijn de meest inspirerende stukken om te lezen. Al was het maar omdat ze de criticus dwingen om net als de maker bij zichzelf te rade te gaan zodat wij daar ons voordeel mee kunnen doen.

Bio

Micha Wertheim (1972) is cabaretier, publicist en columnist. Hij begon zijn carrière eind jaren negentig bij stand-upgezelschap Comedytrain in Amsterdam. Zijn laatste theatervoorstelling ‘Micha Wertheim voor alle duidelijkheid’ werd onthaald met diverse vijfsterrenrecensies en is net als zijn andere werken integraal terug te kijken op ­michawertheim.nl

Wilt u reageren? Dat kan via tijdgeestreacties@trouw.nl. Een se­lectie komt vanaf dinsdag op trouw.nl/tijdgeestessay en in het nieuwe nummer.

Lees ook:

Theo Maassen bekommert zich uiteindelijk vooral om zijn eigen belangen

Door de oprukkende politieke correctheid mag je tegenwoordig niks meer zeggen. Het is een vaak gehoorde hartenkreet. Maar wie de nieuwste voorstelling van Theo Maassen bezoekt, ziet dat het tegendeel waar is. Het spervuur aan seksistische en racistische grappen dat hij anderhalf uur lang op zijn publiek afvuurt, toont aan dat het vooralsnog wel snor zit met de vrije meningsuiting in Nederland.

Niet de foute grap is het probleem, maar het gebrek aan diversiteit

Laten we Johan Derksen niet aanklagen voor een foute grap, maar kijken naar het achterliggende maatschappelijke probleem. En naar onszelf, schrijft publicist Ali Eddaoudi.

Bij de onovertroffen Micha Wertheim moet je blijven nadenken

Micha Wertheim was ooit goochelaar. Dat merk je nog altijd als je hem als cabaretier aan het werk ziet: zijn voorstellingen zitten vol dubbele bodems.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden