Beeld Trouw

ColumnLeonie Breebaart

Mijn God, waar komen al die witten vandaan?

Op een flat in de Amsterdam-Zuidoost (voorheen de Bijlmer) schijnt de tekst te staan: ‘Mijn God, waar komen al die witten vandaan?’ Zelf fiets ik regelmatig door Zuidoost, maar kennelijk niet langs deze flat. Een lezer van een concurrerende krant maakte me attent op de tekst die onderdeel blijkt van een kunstwerk van Marieken Verheyen, getiteld ‘Tell me where you were born’. Ik vond het een geestig kunstwerk, want als je iets in Amsterdam-Zuidoost niet aantreft, zijn het hordes witte mensen. En hoewel je kunst nooit moet dood-interpreteren, laat de tekst dacht ik mooi zien wat ‘wit privilege’ is.

Nederland beschouwt zichzelf nog altijd als een land van witte mensen, dat zwarte mensen daar ook allang deel van uitmaken, komt voor velen nog altijd als een verrassing – mede doordat deze mensen zich na het werk meestal terugtrekken in de minder populaire buitenwij­ken, zodat je maar zelden samen een pilsje zit te drinken.

Deze situatie wordt in Nederland zelden als problematisch ervaren of zelfs maar als zodanig opgemerkt. En ik moet zeggen dat ik dat zelf ook niet deed. Totdat ik, 23 jaar geleden, ineens, met dreigende zwangerschapvergiftiging, terechtkwam op de kraamafdeling van het dichtstbijzijnde ziekenhuis, in Amsterdam-Oost. Mijn buurt was toch behoorlijk multicultureel. Maar dat ik in het zaaltje vrouwen-met-dikke-buiken de enige witte vrouw zou zijn, had ik toch niet verwacht.

Het werd nog behoorlijk gezellig daar op dat zaaltje, en ik kan niet zeggen dat ik mijn verblijf daar heb ervaren als culture shock.

Ze woonde te ver voor een kop koffie; ik heb haar nooit meer gezien

Dat kwam later, nadat ik uit het ziekenhuis ontslagen was en mijn dagelijkse leven weer oppakte. Ineens bleken de cafés, de sportvereniging en de werkvloer die ik als tamelijk neutraal had beschouwd, schrikbarend wit. Welke lugubere zuivering had hier eigenlijk plaatsgevonden? Waar waren alle zwarte vrouwen gebleven? Ineens voelde ik hoezeer ik in een bubble leefde – en trouwens ook hoe bubbles in stand blijven. Want één van de vrouwen die ik aardig vond, Henna heette ze, woonde in Amsterdam Zuidoost. Té ver fietsen voor een kop koffie, vond ik, zeker met baby. Ik heb haar nooit meer gezien.

De zwangere vrouw die destijds recht tegenover me lag, is wél een vriendin gebleven, nu al meer dan twintig jaar. Zij woonde in de buurt; onze levens verschilden niet zoveel.

Maar onze geschiedenissen wel. Hoe het is om een donkere huidskleur te hebben, kan ik onmogelijk navoelen. Eerder besef ik door haar pas hoe wit ik ben – en hoeveel makkelijker dat is. Het kost moeite te begrijpen waarom het zo erg is steeds te horen ‘Tell me where you were born’. Om te begrijpen wat het betekent dat directeuren of schoolhoofden hier vaak spierwit zijn. Maar vriendschap vraagt je wel om die inspanning.

Dat is misschien wat de Litouws-Franse filosoof Levinas bedoelt met het gelaat van de Ander, dat ons vertelt wat ons te doen staat. Met als eerste gebod, als fundament onder de samenleving het gebod: Kijk mij aan, dood mij niet.

Wat is daar nou erg aan? Leonie Breebaart onderzoekt in haar column de actualiteit op filosofische wijze. Lees ze hier terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden