Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Lak aan formele omgangsvormen, dat past een Kamerlid niet

Opinie

Ger Groot

© Trouw
Column

Kamerleden die zich in informele dracht hijsen, en daar ook nog lacherig over doen, die hebben niets begrepen van hun speciale roeping, klaagt columnist Ger Groot.

'Waar is uw jasje?’ vroeg Kamervoorzitter Khadija Arib aan Peter Kwint, toen die in T-shirt aan de interruptiemicrofoon verscheen. Het SP-kamerlid maakte er zich vanaf met een wat vlegelachtige nonchalance: ‘Dat vraag ik me al jaren af.’ De boodschap was duidelijk: laat niemand zich bemoeien met de manier waarop ik mij publiekelijk vertoon. Consequent was het wel: in woord èn kleding liet Kwint zien lak te hebben aan de ongeschreven regels van de formele omgang.

Lees verder na de advertentie

Hij is de enige niet. Het gaat er niet om hoe iemand er in de volksvertegenwoordiging uit ziet; het gaat erom wat hij te berde brengt, zo viel her en der te horen. En dan: kleedt Kwint zich niet gewoon zoals het gros der Nederlanders dat inmiddels doet – en mag een volksvertegenwoordiging dan ook niet dáárvan een representatieve afspiegeling zijn? Plots leek de keurige Arib een figuur uit een vervlogen tijd, die niet aanvoelt waar het vandaag de dag om gaat in de politiek, of zelfs de samenleving als geheel.

Het parlement is er niet om de Nederlandse bevolking te weerspiegelen, maar om in naam van dat volk te palaveren

Toch had zij volkomen gelijk. Beide antwoorden berusten op fundamentele misverstanden. De eerste van staatkundige, de tweede van algemeen menselijke aard. Dat die misverstanden inmiddels door vrijwel iedereen in meer of mindere mate worden onderschreven, maakt hen niet minder funest. Het woord ‘representatief’ speelt daarbij een sleutelrol.

Peter Kwint © ANP

Nemen we om te beginnen de volksvertegenwoordiging: representatief bij uitstek, zoals iedereen erkent. Bij de vraag wat dat woord betekent gaat het echter al gauw mis. De kamer bestaat uit mensen die door de kiezers zijn afgevaardigd om voor hen het politieke handwerk te verrichten waar ze zelf geen tijd, geduld of competentie voor hebben. Daarom spreken we over ‘vertegenwoordiging’ en ‘(geachte) afgevaardigden’.

Verkiezingsgedoe

Dat heeft niets te maken met de manier waarop marktonderzoekers de meningen van het Nederlandse volk peilen door middel van een ‘representatieve steekproef’. Zo’n panel is een soort spiegel van de bevolking, die de eigenschappen daarvan zo getrouw mogelijk weergeeft. Zou de Tweede Kamer zo’n soort representatie zijn, dan kun je haar het beste laten samenstellen door het Centraal Bureau van de Statistiek. Een stuk goedkoper, bovendien, dan al dat verkiezingsgedoe.

Het parlement is er niet om de Nederlandse bevolking te weerspiegelen, maar om in naam van dat volk te palaveren over de zaken die ons allemaal aan gaan. Dat is een hoogst verantwoordelijke opdracht die vraagt om formele regels, wil de zaak niet in het honderd lopen. Een gesprek in de familiekring of aan de borreltafel is één ding, een parlementair debat een ander – en niet alleen omdat dat eerste nogal eens tot onbeheersbare ruzies lijkt.

Dat laatste kan het landsbestuur zich niet veroorloven, en daarom staan parlementaire regels een flink eind af van de informele omgangsvormen in huis of kroeg. De kloof tussen politiek en samenleving kan ook in dat opzicht moeilijk breed genoeg zijn. Als die regels op hun beurt iets representeren, dan is het dus niet de samenleving maar de opdracht van de volksvertegenwoordiging zelf.

Bijzondere roeping

Juist omdat die zo bijzonder is, vraagt hij ook om bijzondere vormen. Een ambtskostuum, zoals voor de Tweede Wereldoorlog door Kamerleden gedragen werd is inmiddels misschien wat te veel gevraagd. Maar dat geldt niet voor gedrag en kleding die ‘representatief’ zijn voor de bijzondere roeping van de hoogste landsvergadering.

Je zou menig Kamerlid een iets groter gevoel voor formaliteit toewensen: in denken, voorkomen en gedrag

Beide staan al enige tijd onder druk: van het ‘effe dimmen’ dat de toenmalige SP-partijleider Jan Marijnissen twintig jaar geleden waarnemend Kamervoorzitter Frans Weisglas toevoegde, via het wederzijdse ‘doe even normaal’ tussen Geert Wilders en Mark Rutte uit 2011 tot Peter Kwints geheel eigen interpretatie van de ‘casual look’. Al die politici zullen zich er wel populair mee hebben gemaakt onder hun achterban en misschien ver daarbuiten. Maar een groot besef van de hun toevertrouwde opdracht spreekt daar niet uit. En nog minder het benul dat alleen formele zaken ons behoeden voor chaos en ongeregeldheid.

Daar komt de antropologische constante om de hoek kijken. Bij daklozen, zo merkte een hulpverlener ooit op, kun je precies zien wanneer het mis gaat. Zodra iemand ophoudt met zich dagelijks te scheren (zwervers zijn bijna altijd mannen) weet je dat de val is ingezet. Niet dat dat scheren ergens voor dient. Voor een dakloze is het louter een ritueel geworden dat tussen hem en de chaos in staat.

Zorg voor het eigen voorkomen is net zo min betekenisloos als vormen in de omgang. Daarom is de tegenstelling tussen (willekeurige) uitwendige verschijning en de inwendige ziel zo kunstmatig. Ze gaat terug op een erfenis die ouder is dan Rousseau en in Nederland vast wel iets met het calvinisme van doen zal hebben. Maar als drogreden wordt ze universeel geschuwd. Menselijke culturen konden pas worden wat ze waren dankzij de zorg voor de vorm: in kleding, ritueel en maatschappelijke omgang.

Je zou menig Kamerlid een iets groter gevoel voor formaliteit toewensen: in denken, voorkomen en gedrag. Al was het maar om te beseffen wat een parlement eigenlijk is en welke ‘representatieve’ taak daarin voor hun is weggelegd. In de bovenkamer van menige afgevaardigde is het, wat dat betreft, nogal een rommeltje.

Lees ook: Peter Kwint, fanatiek socialist met schwung

Een profiel van het nieuw aangetreden SP-Kamerlid. Zo bloedfanatiek als Kwint in zijn politieke werk is, zo is hij in alles. Of het nou gaat om vechtsport, Feyenoord aanmoedigen, lomp rondbeuken bij hardcore punk-concerten of twitteren, Kwint doet niets een klein beetje.

Ger Groot doceerde filosofie aan de universiteiten van Rotterdam en Nijmegen. Voor Trouw bekijkt hij de actualiteit door een filosofische bril.

Deel dit artikel

Het parlement is er niet om de Nederlandse bevolking te weerspiegelen, maar om in naam van dat volk te palaveren

Je zou menig Kamerlid een iets groter gevoel voor formaliteit toewensen: in denken, voorkomen en gedrag