Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Laat de overheid niet kinderachtig doen over de financiering van een Nationaal Slavernijmuseum

Opinie

Stevo Akkerman

© Trouw
Column

Afgelopen week werden de Surinaamse slavenregisters online toegankelijk gemaakt. De registratie, in 1826 per Koninklijk Decreet ingesteld, vormde een ‘boekhouding van mensen’, aldus historicus Coen van Galen, die de lijsten in samenwerking met een Surinaamse collega digitaliseerde.

Voor sommigen bevat deze boekhouding de sleutel tot hun afkomst. In NRC Handelsblad beschreef Nina Jurna hoe ze in de registers de namen vond van zeven voorouders, te beginnen bij Marjantje Cederpint, huisslavin, geboren in 1808. En vervolgens haar kinderen en kleinkinderen. Ze waren eigendom van de gebroeders Christopher Otto en Petrus Reminus Otto. Bij de afschaffing van de slavernij, in 1863, kregen de gebroeders een schadevergoeding van 300 gulden per slaaf uitgekeerd. De slaven kregen geen schadevergoeding, integendeel, ze moesten nog tien jaar onder ‘staatstoezicht’ op de plantages werken. “Ik kijk nog eens goed naar de zeven namen op de oude lijsten”, schrijft Nina Jurna. “Een moeder, haar twee dochters en haar vier kleinkinderen. Sterke mensen die de slavernij overleefden, een nieuwe generatie voortbrachten en aan wie ik mijn bestaan te danken heb.”

Lees verder na de advertentie
Wie kregen een vergoeding bij de afschaffing van de slavernij? De eigenaren

Ik ken Nina een beetje, daarom las ik haar verhaal met extra belangstelling. Toen ik bij Het Parool werkte, deed zij verslag vanuit de Bijlmer en later werd ze onze correspondent in Paramaribo. Daar heb ik haar nog ontmoet toen ik research deed naar de geschiedenis van de 28 Surinamers die in 1883 werden geëxposeerd op de Wereldtentoonstelling in Amsterdam. Nina is altijd geïnteresseerd geweest in het verhaal van haar voorgeslacht, ze maakte twintig jaar geleden al een documentaire over haar oom Louis Doedel en diens tragische lot. Doedel was een vakbondsman die zich verzette tegen de miserabele werkomstandigheden in Suriname. In 1937 wilde hij gouverneur Kielstra een petitie aanbieden, maar hij kreeg daarvoor geen toestemming. Daarop toog Doedel met een wit-geschilderd gezicht naar het gouverneurs­paleis en liet uit protest zijn broek zakken. Hij werd opgesloten in een psychiatrische kliniek en pas in 1980 vrijgelaten, twee weken voor zijn dood.

Het zijn dit soort verhalen, die dus niet eindigen in 1863, die een plaats moeten krijgen in een Nationaal Slavernijmuseum, waarvoor het Amsterdamse gemeentebestuur het initiatief heeft genomen. En laat de overheid niet kinderachtig doen over de financiering van zo’n museum – de digitalisering van de slavernijregisters moest door particulieren worden gefinancierd, dat toont pijnlijk aan wat er mankeert aan onze omgang met de geschiedenis. Het blijkt ook uit de overspannen reacties op burgemeester Aboutalebs pleidooi voor regeringsexcuses voor het slavernijverleden. Menig witte Nederlander lijkt te denken daarmee persoonlijk te worden veroordeeld voor iets waar hij onmogelijk schuldig aan kan zijn. Maar zo is het niet. Het gaat erom dat de staat der Nederlanden als rechtspersoon verantwoordelijkheid neemt voor ernstige misdrijven. Ik geloof dat ik dat wel gepast zou vinden.

Drie keer per week schrijft Stevo Akkerman een column waarin hij de 'keiharde nuance' en het 'onverbiddelijke enerzijds-anderzijds' preekt. Lees hier meer van zijn columns.

Deel dit artikel

Wie kregen een vergoeding bij de afschaffing van de slavernij? De eigenaren