Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Kunstliefde mag geen dekmantel worden voor financiële speculatie

Opinie

Ger Groot

© Trouw
column

Het is hommeles in het Stedelijk Museum. Directrice Beatrix Ruf heeft de eer aan zichzelf gehouden door terug te trekken nadat NRC Handelsblad haar nevenfuncties en –verdiensten had blootgelegd. Wie zoveel geld binnenrijft met advieswerk (ruim vier ton op jaarbasis, begrijp ik) kan zich moeilijk óók nog honderd procent inzetten voor het museum. Plichtsverzuim dus, én belangenverstrengeling – want Ruf wekt de indruk haar activiteiten op de kunstmarkt en haar expositiebeleid wel érg nauw op elkaar te hebben afgestemd.

Ironisch genoeg was Beatrix Ruf juist binnengehaald vanwege haar goede contacten met de hedendaagse kunstwereld. Ook in de Kunsthalle Zürich, haar vorige stek, had ze goed aangevoeld wat er speelde in de voorhoede van de beeldende kunst. Een ideale figuur voor het Stedelijk dus, dat zich onder de legendarische directeur Sandberg van een slaperig stadsmuseum had ontwikkeld tot een etalage van alles wat nieuw en opwindend was.

Lees verder na de advertentie

Weg was de stoffigheid waarmee het instituut ‘museum’ sinds een eeuw of twee werd geassocieerd. Veel ouder is het immers niet. Als openbare instelling ontstond het pas na de Franse Revolutie. Wat moest er gebeuren met al die kunstverzamelingen van de al dan niet geguillotineerde adel? Als in de politiek de soevereiniteit van de macht voortaan aan het volk toeviel, moest dat dan ook niet in de esthetica gebeuren? De kunstkamers werden publieke instellingen waar het volk al het moois kon zien dat voortaan van de staat, dus van hén was.

Het Stedelijk loopt op de geschiedenis vooruit, maar snoept tegelijkertijd nog stiekem van de oude naam ‘museum’ met haar garantie van bewezen waarde

Musea ontstonden om te bewaren wat zich als waardevol bewezen had. Daaraan ontlenen ze hun eerbiedwaardigheid en de kunstwerken die erin verzameld zijn het zegel van eeuwige waarde. Ironisch genoeg kwam dat bijna op hetzelfde moment op gespannen voet te staan met wat de kunst zélf als haar voornaamste roeping ging zien. Vernieuwing had er altijd al bij gehoord, maar in de loop van de 19de eeuw werd dat haar belangrijkste en tenslotte haar enige drijfveer. ‘Echte kunst’ werd, met een militaire term, ‘avant-garde’.

Spagaat

In die spagaat zit vanaf dat moment ieder museum voor hedendaagse kunst, ook het Stedelijk. Het loopt niet achter de geschiedenis aan, maar erop vooruit – zoals een ware voorhoede betaamt. Tegelijkertijd snoept het nog stiekem van de oude naam ‘museum’ met haar garantie van bewezen waarde. Het resultaat is een soort metamorfose-machine. Een kunstwerk of kunstenaar die dáár terechtkomt, kan zo fris en fruitig niet zijn of hij is al een beetje opgestegen naar de Parnassus van de Groten. Het museum reageert niet meer op wat er in de kunstwereld gebeurt, maar transformeert en decreteert haar.

Moet een over­heids­in­stel­ling zich wel zo actief mengen in het kunstleven (en de kunstmarkt) die tenslotte een zaak zijn van artiesten, kenners, liefhebbers en publiek?

Die dubbelfunctie is Ruf fataal geworden – maar doet dat in zekere zin ook het museum zelf. Moet een overheidsinstelling zich wel zo actief mengen in het kunstleven (en de kunstmarkt) die tenslotte een zaak zijn van artiesten, kenners, liefhebbers en publiek? Van particuliere burgers dus, en van particuliere instanties als galeries en verzamelaars. Musea die zich opwerpen als mecenassen van de moderne kunst hebben daarop door hun dubbelfunctie misschien vooral een verstorende uitwerking.

Moeten we terug naar overheidsmusea die met vertraging alleen reageren of wat inmiddels is uitgekristalliseerd? Twee bezwaren kun je daarbij bedenken. Komt het brede publiek dan nog wel in aanraking met het allernieuwste? Jazeker wel, lijkt me, alleen niet dáár. Er zijn galeries genoeg waar die functie wèl thuishoort, en particuliere musea kunnen blijven doen wat ze willen.

Dief van eigen portemonnee

En wordt de gemeenschap – tweede bezwaar – daarmee geen dief van de eigen portemonnee? Wat nu nog betaalbaar is, blijkt, dat waarschijnlijk niet meer wanneer de kunstenaar een geconsacreerde naam geworden is en alleen de superrijken zich zijn werk nog kunnen veroorloven.

Misschien is dat zo. Maar dat blijft een gok – en de depots staan nu al vol van werken die het niet gehaald hebben. Erger is dat kunstliefde dan de dekmantel wordt voor wat eigenlijk financiële speculatie is. Menige kunstkoper zal dat herkennen: inzetten op een jonge artiest in de hoop dat zijn werk later zal renderen. Met eeuwige esthetische waarde heeft dat minder van doen dan met geldelijke waarde en winstbejag. En daarvoor was een openbaar museum al helemáál niet bedoeld.

Lees meer columns van Ger Groot. 



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie
Het Stedelijk loopt op de geschiedenis vooruit, maar snoept tegelijkertijd nog stiekem van de oude naam ‘museum’ met haar garantie van bewezen waarde

Moet een over­heids­in­stel­ling zich wel zo actief mengen in het kunstleven (en de kunstmarkt) die tenslotte een zaak zijn van artiesten, kenners, liefhebbers en publiek?