ColumnStevo Akkerman

Kerst in het verpleeghuis

Op weg naar het verpleeghuis waar mijn ouders wonen, hoorde ik zaterdag op Radio 4 een ijverige sopraan, en dankzij haar hoorde ik meteen mijn moeder weer, die ook sopraan was. In de muffe kelder van ons huis, waar de aardappelen lagen en de soepblikken stonden, oefende zij haar toonladders. De bedoeling was dat daar zo weinig mogelijk mensen last van zouden hebben, maar wij kinderen vielen in een andere categorie, wij waren inpandig publiek.

Ik zag ertegenop naar het verpleeghuis te gaan. De laatste keer dat ik er was, had mijn vader zich ­geheel in zichzelf opgesloten, ogen dicht, armen over elkaar, nergens op reagerend, geharnast. Waar hij zich tegen verweerde, was niet te achterhalen en ik had hem uiteindelijk maar zo laten zitten – op mijn ­afscheidsgroet volgde geen respons. Mijn moeder was levendiger ­geweest, zij het geestelijk ver weg, ­zoals sinds lang. Soms lijkt ze iets in je te herkennen, vaak ook helemaal niet. Hoe contact te hebben met iemand met wie je niet kunt spreken? Ik vertel meestal toch maar wat, maar langer dan een paar minuten duurt dat niet. Voorlezen werkt nog het beste; de keer dat ik ‘Het huisje aan de sloot’ van Carry van Bruggen bij me had, lichtten haar ogen op ­alsof ze een wonder zag gebeuren.

Ditmaal had ik twee filmpjes meegenomen van mijn zus, die ook kan zingen. Ik reed mijn moeder naar haar kleine kamertje en liet haar zien en horen hoe mijn zus het oude kerstlied ‘Entre le boeuf et l’âne gris’ zong en daarna ‘Silent night, holy night’. Eerst dacht ik dat niets haar bereikte, maar toen ik de filmpjes herhaalde, leek mijn moeder te huilen. Ik droogde haar gezicht en neuriede mee met de stille nacht. Had ze werkelijk gehuild? Of was het de verkoudheid die haar parten speelde? “Ze is erg snotterig”, had de verpleegkundige gezegd toen ik binnenkwam. “We overwegen haar weer te laten testen.”

Mijn hand op zijn arm

Van mijn moeder liep ik naar mijn vader, dertig meter verder op dezelfde gesloten afdeling. Hij zat aan tafel met vijf huisgenoten. Ik schoof aan met mijn mondkapje op, en werd door een deftig sprekende bewoonster verwelkomd als ‘broeder’ en ‘lieverd’. Mijn vader verroerde zich niet, ook niet toen ik hem de filmpjes van mijn zus liet zien. Zijn ogen hield hij gesloten, hij was niet thuis. Tegenover me zat een vrouw met een knuffelhond, die ze dicht tegen haar gezicht hield. Voor haar lag een kerstkaart, zojuist bezorgd.

“Dat is geen echte hond, hoor”, zei een andere bewoonster, rechts van mij. “Geen echte.”

De vrouw met de knuffelhond hoorde dit, pakte de kerstkaart en hield die omhoog. “Geen echte? Dit is het allerechtste wat er bestaat.”

Mijn vader was inmiddels compleet vertrokken, zijn handen bewogen zoekend in de lucht, af en toe leek het alsof hij pianospeelde – ­zoals hij vroeger altijd deed. Ik liet hem begaan, bleef nog even, en legde ten slotte mijn hand op zijn arm. “Ik ga ervantussen”, zei ik, zonder te weten of hij me hoorde.

’s Avonds kwam er bericht van het verpleeghuis. Mijn moeder moest in quarantaine, de volgende ochtend zou ze getest worden. Het was Kerst 2020.

Drie keer per week schrijft Stevo Akkerman een column waarin hij de ‘keiharde nuance’ en het ‘onverbiddelijke enerzijds-anderzijds’ preekt. Lees ze hier terug. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden