Beeld Trouw

Column Stevo Akkerman

Jezus, de regiokampioen van de damvereniging

Ik heb deze week iets gedaan wat verboden zou moeten worden: ik heb in iets minder dan twee uur 120 gedichten gelezen. Best mogelijk dat ik daarmee een record heb gevestigd, maar dit is natuurlijk niet iets om trots op te zijn. We hebben het hier niet over de marathon, maar over poëzie. Gedichten vragen om aandacht en rust, om lezing, herlezing en contemplatie. Erg oneerbiedig om ze erdoorheen te jassen. Nog oneerbiediger als het gedichten betreft die allemaal over Jezus gaan.

Het kwam zo: toen ik ruim een jaar geleden verhuisde, trof ik in mijn nieuwe wijk een huis met de prachtige naam ‘Pakhuis van Verlangen’. De beheerder van het pakhuis bleek de dichter Jan de Bas te zijn, tevens drijvende kracht achter de Filosofiegroep Rotterdam. Ik volgde er een cursus (vraag me rustig alles over de zijnsleer van Heidegger ) en zo leerde ik Jan kennen. Dat leidde ertoe dat hij me vroeg deze week iets te zeggen bij de presentatie van een bloemlezing van poëzie over Jezus, samengesteld door hem en Arie Bijl. Vandaar die 120 gedichten in sneltreinvaart.

Nu ben ik met Jezus groot geworden, dus je zou denken dat ik over enige voorkennis beschikte. Maar dat valt tegen. Ik herinner mij hoe de directeur van de Evangelische School voor Journalistiek ons studenten vroeg op te schrijven wie/wat Jezus voor ons betekende – ik kwam niet verder dan een formulering uit de Heidelbergse Catechismus, die ik als jongen uit mijn hoofd had moeten leren: ‘Dat ik het eigendom ben niet van mijzelf, maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus’.

De directeur was uiterst teleur­gesteld geweest; hij had een persoonlijk antwoord gewild, geen kapotgedreunde formulering. En toch ben ik dertig jaar later niet veel verder. Dat wil zeggen: ik weet nog steeds niet wie/wat Jezus voor mij is. Maar in zekere zin ‘blijf ik van hem dromen’, om met de titel van de bloem­lezing te spreken.

De Australische dichter Les Murray omschreef God als ‘de in elke religie opgevangen poëzie’ en ‘een wet tegen afbakeningen’. Daar word ik vrolijk van, een wet tegen afbakeningen, zeker als het gaat om die tussen geloof en ongeloof. En ik heb dat, in alle haast, ook teruggevonden in deze bundel. Jezus is daarin de koopman in oudroest, een mooie rebel, de regiokampioen van de damvereniging, een astronaut, de man die in de kerk voor onze zonden hing te sterven, een betweter, een joodse man van het jaar nul, het lelijke zoontje van God, een visserman die een boom draagt op zijn rug, een antiheld in ­elke zin, de hovenier en ten slotte, gebeeldhouwd: de zoon, noch lam noch hoeder, die stil wilde liggen in het marmer van een moeder (Hester Knibbe).

In het zoeken naar die rust, dat stille liggen, kan ik mij wel vinden. Laat me daarom besluiten met een strofe van Maria de Groot, uit het in de bundel ­op­genomen gedicht ‘Soekkah’, ofwel loofhut.

Dan licht hij na zijn dwaaltocht door de nachten

de klink van het domein dat hij betreedt

en zegt: ik ben verzadigd van het leed,

laat mij nu hier het morgenlicht verwachten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden