Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Ja, de zon schijnt op 2 november, het licht strijkt gelijkelijk over alle graven

Opinie

Wim Boevink

Klein verslag

Het is de tweede november, Allerzielen, en het spijt haar dat de zon schijnt. Ik kijk naar de camera tegen haar buik. Ze is persfotografe, zegt ze. Het licht op de begraafplaats is te contrastrijk.

We kijken naar de ingang van de aartsbisschoppelijke crypte, waaruit kardinaal Eijk, wit gemijterd en gehuld in een eenvoudig paars kazuifel, tevoorschijn komt en zijn staf krijgt aangereikt.

Lees verder na de advertentie

Hij heeft zojuist in de kapel van St. Barbara, op de enige katholieke begraafplaats van Utrecht, de mis opgedragen; ik zag de mensen naar buiten stromen met hun ingezegende, roodkleurige herdenkingslichtjes.

Tegen de stroom in ben ik nog even naar binnen gegaan, de kapel is warm en walmt nog na van de wierook. Op de altaartrappen staan overgebleven ­herdenkingslichtjes en ik overweeg er een mee te nemen, maar ik ken hier niemand onder de grafstenen, ja, Sylvia Kristel, Dick Bruna.

De kardinaal heeft zijn vroege ­voorgangers in de crypte met wijwater gezegend en maakt nu met een klein gevolg en de persfotografe een rondgang om de kapel, waartegen de graven liggen van kerkelijke prelaten, van ­bisschoppen, vicarissen, kanunniken en pastoors.

Hun stenen zijn groot, grijs en zwaar. Ze vormen een krans om de kapel. In een boekje over de begraafplaats (van Ton van Schaik) dat in de kapel ­uitligt, is een hoofdstuk aan deze doden gewijd, een hoofdstuk dat opent met een aangrijpende zin: ‘Gestorven priesters horen bij de doden die het snelst worden vergeten’.

Van Schaik vervolgt met: ‘Het is dat er vaak missen voor hun zielerust zijn vastgelegd, anders waren ze, om het in rooms-devotionele termen te zeggen ‘de meest verlaten zielen van het vagevuur’. Ze hebben geen kinderen en kleinkinderen die hun graf bezoeken en hun nagedachtenis in ere houden, hun directe familieleden hebben meestal zelf een gezin dat alle zorg vraagt...’

Ja, die gekneusde priesterstand, meer gesmaad dan geëerd, de zerken dekken alles toe. Ik ga ze langs om te zien of vicaris Niënhaus hier ook ligt, de man die ik kende als rector van het aartsbisschoppelijk klein-seminarie in Apeldoorn toen ik er leerling was, de man die ervan hield op zijn kamer een robbertje met de jongens te stoeien en die ik later tegenkwam in de lijst van misbruikschandalen.

De grote kamer met de hoge, smalle ramen.

Toch kan ik hier ook deernis voelen met die geestelijken, en ook met de Zusters van de Liefde, die hier anders dan de heren onder kleine witte stenen rusten, dicht bij elkaar, een stukje verder weg van de kapel.

Zuster Margarethis, Zuster Ursina, Zuster Hyacintho, Zuster Theresienne, Zuster Ludwina, Zuster Borromea, ­Zuster Unegonde, ze hebben zelfs hun eigen namen niet meer. Wie herdenkt hen? Als zelfs de kardinaal ze niet ­jaarlijks meer zegent, zijn zij dan niet de allermeest verlaten zielen?

Ze liggen nog achter de Polen, met hun eenvoudige kruisen, Polen die zich na ’45, na in Europa te hebben meegevochten voor de bevrijding, in Nederland vestigden.

Ja, de zon schijnt op 2 november, het licht strijkt gelijkelijk over alle graven. 

Met het oog van een antropoloog en de pen van een dichter doet Wim Boevink dagelijks verslag over de grote en kleine wereld om hem heen.

Deel dit artikel