Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Is het wenselijk om in alle openheid een doodswens te bespreken?

Opinie

Jan Vorstenbosch

Jan Vorstenbosch, filosoof. © RV
Essay

Als er een optie voor euthanasie bijkomt, vergroot dat niet de keuzevrijheid, meent Jan Vorstenbosch. Dan wordt dóórleven niet meer de regel, maar een keus waar je je voor moet verantwoorden.

Pia Dijkstra’s wetsvoorstel ‘Waardig Levenseinde’ lijkt na de verhitte discussies tijdens de coalitievorming in de zomer van 2017 met het aantreden van het Kabinet in de koelkast gelegd. Van verder onderzoek of een uitgebreid publiek debat, zoals voorzien in het Kabinetsakkoord van 2017, is nog weinig te merken. Toch zal Dijkstra’s voorstel, eenmaal aangenomen, grote gevolgen hebben, vooral voor ouderen van boven de 75 die een verzoek kunnen doen voor hulp bij zelfdoding.

Lees verder na de advertentie

De Memorie van Toelichting op het Wetsvoorstel noemt deze mogelijkheid een wenselijke aanvulling op het reeds bestaande ‘pakket’ aan stervensvormen: euthanasie, palliatieve sedatie en versterving. Ouderen die ‘lijden aan het leven’ krijgen als ‘extra optie’ een legale route om met professionele hulp hun leven te beëindigen. De hoop is dat deze optie ook wordt geaccepteerd door burgers die er geen gebruik van zullen maken. Maar is de voorgestelde Wet inderdaad niet meer dan een ‘optie’ voor degenen die er gebruik van willen maken? Is het accepteren ervan alleen maar een kwestie van solidariteit tussen (oudere) burgers? Laat het de positie en vrijheid van burgers om met hun levensavond om te gaan onaangetast?

Laat ik vooropstellen dat ik hulp bij zelfdoding in bepaalde situaties moreel begrijpelijk, invoelbaar en gerechtvaardigd vind.

Het bekendste voorbeeld is Moek (99). Haar schoonzoon Albert Heringa hielp haar sterven, een actie die nog steeds onder de rechter is. Al blijft het de vraag of Moek niet zozeer dood wilde omdat haar leven ‘voltooid’ was (dat stadium was waarschijnlijk al gepasseerd), maar omdat zij leed aan een complex van factoren, dat volgens kenners ook ‘zwaar’ genoeg was om hulp binnen de huidige Euthanasiewet te rechtvaardigen.

Het is net als met pinda's: als je ze niet in huis haalt, kun je ze niet opeten

Waar het mij om gaat is of het ‘een goed idee’ is om hulp bij zelfdoding bij niet-medisch gemotiveerde doodswensen via een wet te legaliseren. Als het wetsvoorstel wordt aangenomen, wordt in ieder geval de vraag reëel voor veel ouderen of ze er gebruik van zullen maken en zo ja, wanneer. Het wordt daarmee een publieke kwestie. Wat is daar tegen? Iedereen krijgt toch een vrije keus, er komt alleen maar een optie bij voor mensen met een doodswens?

Maar ligt het wel zo eenvoudig? Voor het antwoord daarop zijn de argumenten interessant die de Amerikaanse filosoof J. David Velleman heeft aangevoerd tegen institutionele regelingen rond euthanasie en hulp bij zelfdoding. Hij bestrijdt het idee dat meer keuze voor alle individuen altijd meer vrijheid schept. Dat is vaak niet het geval.

Bij onderhandelingen tussen vakbond en werkgevers bijvoorbeeld is het vaak gemakkelijker onderhandelen als je als vakbond maar één strategische optie hebt. Door een optie toe te voegen, bijvoorbeeld omdat je leden dat willen, kunnen de werkgevers druk uitoefenen om voor dié optie te kiezen, en daardoor wordt de positie van de onderhandelaars zwakker.

Een voorbeeld uit de huiselijke sfeer: door ongezonde spullen zoals pinda’s en zoetigheid in huis te halen, krijg je allemaal een extra optie die je niet per se hoeft te gebruiken. Maar de beschikbaarheid maakt het wel gemakkelijker om druk uit te oefenen op huisgenoten die de verleiding moeilijk kunnen weerstaan. Door samen die optie te blokkeren en die spullen niet in te slaan, kunnen individuen zich vrijer voelen. Ze zijn dat ook omdat ze er zelf eerder voor hebben gekozen om de keuze te vermijden.

Deze maatschappelijke en huiselijke voorbeelden tonen de beperktheid van louter neo-liberaal economisch denken over vrijheid in termen van individuele opties, wensen en beschikbaarheid van keuzes voor individuen.

Ze raken volgens mij ook het veel zwaardere politieke en ethische debat over ‘levensbeëindiging op verzoek’. Juist vanwege de morele ernst en het onherroepelijke karakter van de keuzes waar het om gaat, moeten we als samenleving voorzichtig zijn met dit vocabulaire. Zo kan een optie om te worden geholpen zoals het Wetsvoorstel die aanbiedt, ertoe leiden dat de eerdere situatie waarin ‘verder leven’ de norm was en hulp bij zelfdoding verboden, verandert. Zo maar verder leven kan dan het karakter krijgen van een relatief willekeurige wens, waarvoor je je als oudere evenzeer moet rechtvaardigen als een ander voor een doodswens. Onder bepaalde omstandigheden zal doorgaan met leven, afhankelijk van de keuzes die anderen maken, niet langer als vanzelfsprekend worden beschouwd. Dan wordt het kiezen zélf een belasting, juist omdat er een ‘optie’ is, een netjes geregelde praktijk, waardoor de manier waarop andere ouderen met het levenseinde omgaan een publiek gegeven is, en er binnen die context nieuwe normen kunnen ontstaan.

Erkenning 

Het gevoel dat het normaal is om te (willen) blijven leven zit diep in het zelfbegrip van de moderne, westerse mens. De huidige burgers van Nederland leven in de meest welvarende samenleving uit de geschiedenis. We kunnen ons nog niet goed voorstellen onder welke voorwaarden het verder leven van ouderen ter discussie zal worden gesteld. Dat gebeurt zeker als er druk op de keuzes van ouderen komt te staan, door bijvoorbeeld klimaatverandering of het schaarser worden van publieke middelen voor de zorg. Dan is doorleven geen vanzelfsprekende keuze meer. Als andere burgers sterke rechtvaardigingen geven om uit het leven te stappen, en jij kunt dat niet omdat je minder goed in staat bent om je redenen geloofwaardig naar voren te brengen, of omdat je aantoonbaar in een situatie bent waar die ‘goede’ argumenten ook op jou van toepassing zijn, dan is dat bedreigend voor je status en je erkenning als persoon. Die erkenning is juist belangrijk als je ziek of zwak en dus afhankelijk bent.

Als je je keuze niet kunt rechtvaardigen kan het lijken alsof je onredelijk bent. Door toenemende rechtvaardigingsdruk kunnen mensen zichzelf overbodig, of hun bestaan als zinloos gaan voelen.

De culturele nadruk op actief zijn, op rationeel zijn, op autonomie en op nuttigheid en productiviteit, kan in dat zelfbegrip ook een rol gaan spelen. Een passief en afhankelijk bestaan is dan iets negatief, de bewijslast komt sluipenderwijs te liggen bij wie afhankelijk, belastend en duur zijn.

Zulke sociale, economische en culturele factoren gaan de komende decennia een grotere rol spelen. Wat betekent een wet op de levensbeëindiging dan voor de zorg voor ouderen en hun positie? Die positie kan veranderen door toenemende druk op de economie, door de snel veranderende technologische omgeving, of door het grotere beroep op een relatief kleine volgende generatie. De combinatie van die veranderingen met een ‘hulp bij doodswensen’-wet kan het huidige zelfbegrip en de zelfinterpretatie van ouderen, als individuen die ‘als vanzelfsprekend’ bij de samenleving behoren en verzekerd kunnen zijn van vaak kostbare zorg op hun oude dag, sterk beïnvloeden.

Het aanbieden van stervenshulp kan het normaal maken dat je je leven beëindigt, als je bijvoorbeeld tot last bent voor je omgeving of voor de samenleving

Velleman vergelijkt dit maatschappelijk effect met de discussie over het verbieden van het duel in de 19de eeuw. Ook daarin ging het om een keuze op leven en dood, en ook daarin speelde het begrip ‘waardigheid’ een belangrijke rol. Het ging om de vrijheid van de adellijke klasse om zonder tussenkomst van de overheid te duelleren in situaties waarin eer en waardigheid werden uitgedaagd. De sociale kosten om te weigeren te duelleren waren voor de adel in zo’n cultuur hoog. Weigeren leidde tot een reputatie van schande en oneer, als je je liet beledigen zonder genoegdoening te vragen. Een wet tegen duelleren was de enige maatregel die deze sociale kosten bij de individuen wegnam. Zij konden zich dan beroepen op de hogere macht van de wet. Pas daardoor kon de cultuur onder adel en militairen veranderen.

Het ging toen om mensen die zich op grond van hun vrijheid en waardigheid verzetten tegen de invoering van een wettelijk verbod om hun eigen leven op het spel te zetten. In het geval van een Wetsvoorstel hulp bij zelfdoding gaat het juist om het opheffen van een verbod. Het betekent dat de optie om geholpen te worden bij zelfdoding (oudere) mensen nieuwe redenen kan geven om hun leven te beoordelen en in bepaalde gevallen, te willen beëindigen. Het gebruikmaken van hulp bij zelfdoding is dan niet slechts een private zaak tussen een hulpverlener en iemand met een weloverwogen wens om te sterven. Het heeft ook gevolgen voor het soort samenleving en cultuur waarin we leven en de manier waarop ouderen zich verhouden tot hun bestaan.

Bij het duelverbod streed een elite voor een eigen morele code voor eer en waardigheid. Ook in onze samenleving zijn er andere, maar eveneens grote verschillen tussen individuen - economisch, sociaal, qua opleiding, en psychologisch. In de ethische discussie over het Wetsvoorstel worden het eigen levensverhaal en de eigen regie vaak als aanknopingspunt voor de interpretatie van vrijheid en autonomie genomen, maar voor veel mensen wordt het script en scenario van hun leven, inclusief het vermogen om dat onder woorden te brengen, flink bepaald door de maatschappelijke context en door sociale normen en verwachtingen. Met een wetsvoorstel zal een publieke ruimte worden geopend waarin een vergelijking van dergelijke ‘levenseindeverhalen’ van 75-plussers mogelijk wordt. Het aanbieden van stervenshulp kan het normaal maken dat je je leven beëindigt, als je bijvoorbeeld tot last bent voor je omgeving of voor de samenleving.

Waardigheid 

Misschien levert je dat dan zelfs wel een nieuw soort waardigheid op, of respect voor je opofferingsgezindheid. Dat voorzag de Engelse filosoof David Hume al in de achttiende eeuw in zijn vaak geciteerde essay ‘Over zelfmoord’: “Stel dat ik niet meer in staat ben het algemene belang te dienen; stel dat ik er een last voor ben; stel dat mijn leven een hinderpaal is voor een ander om dat belang veel beter te dienen. In die gevallen moet mijn terugtrekking uit het leven niet alleen beschouwd worden als zonder schuld, maar zelfs prijzenswaardig. En de meeste mensen die overwegen het leven de rug toe te keren, verkeren in een dergelijke situatie.”

Hume’s redenering kan voor bepaalde individuen een redelijke en alleszins te billijken rechtvaardiging zijn om uit het leven te stappen. Het punt is dat er een groot verschil is tussen personen, die elk voor zich in de beslotenheid van hun eigen leven deze keuze maken zonder dat die publiek wordt, en een institutionele regeling waarin deze redenen inzet worden van de vraag of de overheid hulp bij zelfdoding accepteert en faciliteert.

Ik vraag me daarom af of het wel wenselijk is om in alle openheid, zichtbaar en toetsbaar de overwegingen, normen en redenen van mensen met een doodswens te bespreken. Juist bij beslissingen rond het levenseinde die inderdaad - zoals in de Memorie van Toelichting wordt toegegeven - uiterst persoonlijk, uniek, kwetsbaar, complex en situatiegebonden zijn. Juist daarom is het misschien beter weg te blijven van een proces waarin de beslissing over het levenseinde over het afzonderlijke geval wordt heengetild naar een maatschappelijke discussie over gedeelde en misschien ongewild dwingende normen, naar een toetsing waar niemand echt gelukkig mee is.

Mijn bedenkingen vegen niet de respectabele verlangens en belangen aan de kant van oudere mensen met grote mentale en existentiële problemen. Maar de politieke vraag is of er voor hen geen redelijke alternatieven bestaan.

Volgens veel kenners onderschatten veel mensen de mogelijkheden die de bestaande Wet Toetsing Levensbeëindiging en Hulp bij Zelfdoding hun biedt. Bovendien zijn er al stervensvormen waarbij individuen kunnen afwegen en beslissen in de beslotenheid van hun eigen persoonlijke omgeving, met familie en medische en sociale hulpverleners.

Neem het vaak ten onrechte als gruwelijk afgeschilderde ‘versterven’. Wilsbekwame individuen zijn sowieso vrij om te beslissen zich niet te laten behandelen, en voor uitsluitend palliatieve begeleiding te kiezen. Of de door filosoof Ton Vink bepleite praktijk van zelf-euthanasie, waarbij een consulent betrokken is, die niet instrueert maar informeert, adviseert en steunt.

Aan al deze alternatieven kleven óók praktische, morele en juridische problemen, maar ik verkies ze boven het ontwikkelen van een nieuwe professionele praktijk van levenseindebegeleiding. 

Dit essay is een bewerking van ‘De Discussie over een Voltooid Leven-wet. Een ethische beschouwing over maatschappelijke voorwaarden en effecten’, te lezen op www.uu.nl/onderzoek/ethiek-instituut/onderzoek/reeks-ethische-annotaties

Jan Vorstenbosch (1952) is universitair docent Toegepaste Ethiek aan het Ethiek Instituut van de Universiteit Utrecht.

Deel dit artikel

Het is net als met pinda's: als je ze niet in huis haalt, kun je ze niet opeten

Het aanbieden van stervenshulp kan het normaal maken dat je je leven beëindigt, als je bijvoorbeeld tot last bent voor je omgeving of voor de samenleving