ColumnSylvain Ephimenco

Ik raad ­iedereen af, voor zover mogelijk, om in coronatijd de laatste adem uit te blazen

Dat Paolo dood kon gaan, wist ik natuurlijk ook wel. Maar stiekem had ik de sigarenboer van het Toscaanse dorp ondanks zijn hoge leeftijd een soort van onsterfelijkheid toegedicht. ­Zeven dagen per week, twaalf maanden per jaar zat hij stoïcijns achter de toonbank van zijn sigarenwinkel.

In werkelijkheid is deze tabakszaak niets meer dan een slecht verlichte schoenendoos die Paolo de pompeuze naam ‘Old England’ had gegeven. Er is feitelijk niets Engels aan de negozio, die pal aan de centrale piazza in de dorpskern is gelegen. En ik denk zelfs dat helden van het na­oorlogs Italiaanse neorealisme als Fellini of De Sica hier een magistrale scène hadden kunnen draaien.

Ooit vroeg ik Paolo, die ook mijn benedenbuurman was, of hij nooit aan vakanties had gedacht of van een welverdiend pensioen had ­gedroomd. Hij keek me toen verschrikt aan: wilde ik hem soms achter de geraniums zien verpieteren? En wat moest hij de hele dag thuis met een vrouw even oud als hij, ­terwijl al die mooie jonge meiden op de piazza de hele dag zijn blikveld vulden?

Dat ik in Paolo bijna een onsterfelijke zag, lag aan de ambulances die hem soms midden in de nacht kwamen ophalen. Hij keerde altijd terug, ook toen hij dit voorjaar door het ­virus werd gegrepen. Na maanden aan de rand van het hiernamaals te hebben gevegeteerd, verliet hij alweer triomfantelijk de intensive ­care en de corona-afdeling van het ziekenhuis.

Monsieur”, zei hij in keurig Frans tegen mij. “De dood wil me niet ­hebben.”

Paolo was er dit keer niet om ons te verwelkomen

Na de feestdagen verlieten we Zuid-Frankrijk en de familie voor het dichtbijgelegen Italië, met in de zak een negatieve coronatest als laissez-passer. Paolo was er dit keer niet om ons te verwelkomen. Maandag, om één uur ’s nachts, is hij in het ziekenhuis overleden. Gisteren stond zijn kist voor het altaar van de Pieve dei Santi Giovanni e Felicità. Ik heb zelden zo’n trieste begrafenis­ceremonie meegemaakt en ik zal ­iedereen afraden, voor zover mogelijk, om in coronatijd de laatste adem uit te blazen.

Het lag niet aan de kerk zelf, een prachtig gebouw uit de elfde eeuw dat zich tegen groene heuvels en olijfgaarden heeft genesteld. Maar al die mondkapjes op onze gezichten die emoties vervlakten, de eveneens gemaskeerde priester met zijn be­slagen bril en vooral die handvol ­getrouwen die door de anderhalve meter afstand de leegte van dit godshuis alleen maar konden vergroten, bah.

In pandemietijden blijven vrienden liever thuis dan dat ze zich wagen aan een risicovolle laatste groet. Zeker als ze generatiegenoten van de overledene zijn. Daar zou onze geliefde sigarenboer wel begrip voor hebben gehad; veeleisend is hij nooit geweest.

Terwijl ik deze laatste woorden tikte en een punt achter deze tekst ging zetten, viel in mijn rug zomaar een voorwerp van de vensterbank dat de stilte in de kamer verbrak. Als een kuchje van instemming. Ik denk dat Paolo mijn column toch een beetje waardeert. Hij is tachtig jaar geworden.

Drie keer per week werpt columnist Sylvain Ephimenco zijn blik op de actualiteit. Lees zijn columns hier terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden