ColumnStevo Akkerman

Ik had stapvoets gereden en gekeken, maar hem absoluut niet gezien

Het is vast een goed idee, maar ik schrok er toch een beetje van. De landelijke verkeersofficier van het Openbaar ­Ministerie zei gisteren in Trouw dat ‘roekeloos rijden’ voortaan zwaarder bestraft zal worden, omdat verdachten nu soms nog wegkomen met ‘ik heb het slachtoffer niet gezien’. En ik had de man echt niet gezien.

Het gebeurde anderhalve week geleden, ik was ’s avonds met mijn dochter en haar vriend naar het strand geweest voor een pizza met zand en een duik in het donker. Nadat ik hen thuis had afgezet reed ik naar mijn eigen wijk en ik was er bijna toen ik een vreemd geluid hoorde, alsof iemand een roffel gaf op de achterkant van mijn ­auto. Wat nu weer, dacht ik, want de achttienjarige Volkswagen Beetle die ik dit voorjaar kocht, heeft zo zijn nukken.

‘Zag je mij nou echt niet?’

Direct daarop verscheen links van mij het woedende hoofd van een fietser, pal tegen het portierraam. Het leek me het beste om even te stoppen en te vragen wat er aan de hand was. “Zag je mij nou echt niet?”, riep hij. “Ik had wel dood kunnen zijn.” Geen idee waar hij het over had, maar de man was duidelijk overstuur, hij stond helemaal te trillen. Bij het rechtsaf slaan, een minuut geleden, had ik hem op een haar na gemist, zei hij. 

Met een wilde manoeuvre had hij zich weten te redden en daarbij was, kijk maar, zijn nieuwe overhemd gescheurd. Die had hij de dag daarvoor gekregen van zijn kinderen. Ik bood hem mijn verontschuldigingen aan en probeerde te bedenken wat er fout kon zijn gegaan. Ik had stapvoets gereden en was me zeker bewust geweest van het fietspad – ik had gekeken, maar hem absoluut niet gezien. Wat nu? Moest ik mijn eigen waarneming wantrouwen of zijn verhaal?

Bijwerking van het coronavirus

Ik besloot dat ik degene was die fout had gezeten, en vervolgens raakten we verzeild in de ‘hoe-gaan-we-dit-oplossen’-fase. Dat resulteerde erin dat hij bij mij in de auto stapte en we naar een pinautomaat reden, zodat ik hem de schade kon vergoeden. We wisselden de nodigde beleefdheden uit, van woede was inmiddels geen sprake meer, hij bleek in de asbestsanering te zitten, ik in de journalistiek, heel interessant ­allemaal. 

Daarna kwamen we te spreken over mijn auto, een bijzonder ding toch, de wedergeboorte van de Kever. Ongelooflijk dat zo’n ­wagen alweer achttien jaar oud kon zijn, vond de man. Ik beaamde dat en mat breed uit over de gebreken: verdachte rotzooi in de motorolie, een deur die alleen van binnen open kon, de treurige dakbekleding die als een slap laken naar beneden hing.

Vriendelijk afscheid

“Eigenlijk is deze auto een bijwerking van het coronavirus”, zei ik. “Ik heb jaren zonder gedaan, maar nu wilde ik er toch weer een hebben.” Hij knikte en nam vriendelijk ­afscheid. Wat zal hij gedacht hebben? Dat ik het rijden verleerd was? De bocht waar ik hem bijna raakte, neem ik regelmatig. Maar nu wel heel onzeker.

En ik weet inmiddels dat zo’n dakbekleding een hemel wordt genoemd; ik heb hem deze week laten vervangen, zodat ik kan melden dat de Kever een nieuwe hemel heeft gekregen. Verder zal ik proberen niet roekeloos te rijden.

Drie keer per week schrijft Stevo Akkerman een column waarin hij de ‘keiharde nuance’ en het ‘onverbiddelijke enerzijds-anderzijds’ preekt. Lees ze hier terug. Abonneer je op zijn column in onze mobiele app en lees hem als eerste.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden