Column

Ik ben nogal carcinofoob ingericht en vele ­beginstadia van kwaadaardige gezwellen te boven gekomen

Bert Keizer Beeld Trouw

In Trouw van afgelopen zaterdag schrijft Frits de Lange over een nieuwe stervenskunst. De noodzaak daarvoor is evident, want we sterven tegenwoordig veel langer en langzamer dan vroeger. 

We worden nu immers erg oud en onze laatste jaren worden veelal in beslag genomen door de uiterst moeizame afdaling in het graf. De Lange komt met een boeiend voorstel om die laatste fase, die we vaak zinloos tegenstribbelend doorbrengen, een enigszins andere kleur te geven. 

Hij zegt het zo: ‘Waarom niet de laatste levensfase in de hoge ouderdom tegelijk ook beschouwen als stervensfase? We zouden misschien een beetje beter doodgaan als we wat langer mogen sterven.’

Ik doe hier al jaren onderzoek naar. Ik heb het over mijn eigen geval. En ik besef dat ik niet helemaal binnen de doelgroep val van laatste levensfase, hoge ouderdom, maar toch. Ik vraag me al vele jaren af: wanneer geef je nou eens niet paniekerig toe dat je straks doodgaat? Het is me nog niet gelukt.

Carcinofoob

Ik ben nogal carcinofoob (kankervrezend) ingericht en ben reeds vele ­beginstadia van allerlei kwaadaardige gezwellen manmoedig te boven gekomen. Bij pijn in mijn heup denk ik niet allereerst aan spiertje verrekt, of overbelasting, of heup versleten, maar het

is dan meteen in mijn bovenbeen uitgezaaide prostaatkanker. Een drukplekje door mijn gebitsprothese líjkt maar op een drukplekje; het is natuurlijk mondbodemkanker, waartegen alleen de meest verminkende gelaatsdestructie een hachelijk uitstel van een maand of zes biedt. Vreselijke maanden, want je kunt niet meer praten en durft je nergens te vertonen. Ik zeg nu maar niks over de verschillende hersenziektes, die ik regelmatig in het allerprilste stadium voel aankloppen in mijn persoonlijke beleving.

Maar de verrekte spier heelt, de mondkanker verdwijnt als de tandarts mijn prothese iets bijslijpt en volgens intimi ben ik geestelijk niet opvallend onsamenhangender dan voorheen. Dus modder ik maar door. Artsen helpen hier wel en niet. 

Zo ontving ik natuurlijk ook de parafernalia die horen bij het algemene nationale darmonderzoek. De nogal dikke envelop heeft maanden op mijn bureau gelegen, want dat leek mij de veiligste plek. Hoezo veilig? Nou, als je hem weggooit, dan zul je zien dat er ergens een god gaat grinniken, die dan meteen een tumor op je afstuurt. Nog dommer is het om een poepmonster in te sturen, want als daar een beetje bloed in zit, dan roepen ze je op voor nader onderzoek. En dan ben je hoe dan ook gedoemd. ‘Want’, zei mijn vader ­zaliger, ‘als ze gaan zoeken vinden ze ­altijd wel wat.’

Ik ben uit deze kooi ontsnapt door rond te bellen onder collega’s over de te volgen koers. Dat viel niet mee, want de eerste, een maag-darm-leverarts, vond dat ik beslist moest deelnemen aan het onderzoek. De volgende twee, huisartsen, verwezen me terug naar de eerste: ‘Vraag het nou aan haar, zij heeft er verstand van’. Daar had ik dus niks aan. Ik belde net zolang, tot ik een collega trof die het schaterend met mij eens was: ‘Gooi toch weg die test, jongen, zo’n screening levert alleen maar ellende op’. Kijk, dat wou ik horen. 

Geklungel 

Ik had de test nog niet weggegooid of een andere collega vertelde me dat de anti-screener ‘niets maar dan ook helemaal niets van epidemiologie afweet’. Dat is onfortuinlijk, want het hele screeningsgebeuren wordt juist door grondige epidemiologische analyses overeind gehouden, dan wel onderuitgehaald.

In Nicci Gerrard’s boek over haar demente vader las ik deze opmerking: ‘Als je God aan het lachen wilt maken, dan moet je hem je plannen vertellen’. Omdat Hij immers weet hoeveel daar van terecht gaat komen. Zo zullen de schikgodinnen ook wel grijnzen bij mijn geklungel met die poepbloedtest.

Blijft het feit dat wij als mensen in een comfortabel huis wonen, waarvan we weten dat er ergens ook een dodelijke slang in huist, die meteen naar je keel schiet als je dat kastje, die la, die ouwe koffer, dit fotoalbum of de afwasser opent. Maar het kan ook gebeuren als je een boek openslaat, je auto start of je schoonvader belt. Hoe we het doen, snap ik niet, maar dat we dag noch uur kennen, werkt meestal niet verlammend.

Bert Keizer is filosoof en arts bij de Levenseindekliniek. Voor Trouw schrijft hij wekelijks een column over zorg, filosofie en de raakvlakken daartussen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden