Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Ik ben een naoorlogse collaborateur geworden, zonder dat ik het doorhad

Opinie

Stevo Akkerman

© Trouw
Column

Ik ben bang dat ik, zonder dat ik het zelf in de gaten had, een naoorlogse collaborateur ben geworden. Maandagavond realiseerde ik het me opeens. 

Het was toen ik mezelf erop betrapte dat het me genoegen deed te zien dat de Libris-prijs werd gewonnen door Murat Isik, die op 5-jarige leeftijd uit Turkije naar Nederland kwam, en dat de onderscheiding hem werd overhandigd door juryvoorzitter Abdelkader Benali, die op 4-jarige leeftijd uit Marokko naar Nederland kwam.

Lees verder na de advertentie

Het deed me denken aan de verhalen, al dan niet literair, van immigrantenkinderen in andere tijden en andere plaatsen. Hoe ze hun ouders voorbij streven in het land van aankomst, terwijl dat land hen niet altijd even warm onthaalt. Isik werd door zijn medeleerlingen in de Bijlmer ‘schoonmaker’ genoemd, en als zijn ouders geen stennis hadden geschopt, was het mavo-havo advies nooit opgeschaald naar vwo. Hij weet dat hij van ver komt, zijn vader was schaapherder in oost-Turkije, niemand studeerde daar.

Ik ben benieuwd welke strafmaat Paul Cliteur voor deze collaboratie in gedachten heeft

Benali groeide op in Rotterdam-Noord, in een benauwd en angstig universum, waar de islam overheersend was. Toen hijzelf in 2003 de Librisprijs kreeg voor zijn roman ‘De langverwachte’ werd gesuggereerd dat dat was vanwege zijn afkomst, zo gaan die dingen. “Altijd als iemand met een niet-westerse achtergrond een prijs wint, hoor je van dit soort opmerkingen. Racistische opmerkingen. En ze komen er nog mee weg ook”, zei hij in HP/DeTijd.

De een, Benali, noemt zich ‘een seculiere moslim die de wereld van Salman Rushdie omhelst’. De ander, Isik, groeide op als kind van een atheïstische en communistische vader en een alevitische moeder, voorzien van een onnadrukkelijk en zachtaardig geloof. “Ik weet eigenlijk niet of God bestaat,” zei ze toen ze in Trouw samen met haar zoon werd geïnterviewd. Isik zelf is ongelovig. Een geboren buitenstaander, geen Turk, geen moslim, geen witte Nederlander. De schoonmaker. Die schrijver werd.

Was hij wel gelovig geweest, van welke kunne ook, dan had ik zijn verhaal nog steeds mooi gevonden. Juist nu alles zo op scherp staat, is het heilzaam om te weten dat er overal mensen van goede wil zijn, en dat dat niet afhangt van hun kleur, herkomst, geloof of ongeloof. Daarom deed het me wel wat toen ik afgelopen vrijdag bij de Dodenherdenking was op Plein 1940 in Rotterdam. Daar legde Ahmed Aboutaleb, een gelovig man die op 15-jarige leeftijd uit Marokko naar Nederland kwam, een krans bij het monument ‘De verwoeste stad’. Hij deed dat voor de slachtoffers van een oorlog waar hij niet bij was, en ik ook niet, maar die wij beiden in herinnering wilden houden.

En toen las ik dat hoogleraar Paul Cliteur, voorzitter van het wetenschappelijk instituut van het Forum voor Democratie, vindt dat op 4 mei ‘in de officiële vieringen heel veel naoorlogse collaboratie overheerst’. Want wie hecht aan ‘respect, dialoog, uitgestoken hand etc’ baant de weg voor jihadisten, zoals eerder voor de nazi’s.

Cliteur is jurist, ik ben benieuwd welke strafmaat hij voor deze collaboratie in gedachten heeft.

Drie keer per week schrijft Stevo Akkerman een column waarin hij de 'keiharde nuance' en het 'onverbiddelijke enerzijds-anderzijds' preekt. Lees hier meer van zijn columns.

Lees ook: ‘Ik loog dat ik moslim was’

Murat Isik en zijn moeder Aynur Tarhan vertellen in dit interview over de rol van de islam in hun leven.

Deel dit artikel

Ik ben benieuwd welke strafmaat Paul Cliteur voor deze collaboratie in gedachten heeft