ColumnRob Schouten

Het mag dan vaag zijn om iets te voelen bij kunst, het is wel degelijk de essentie

Kunst, zo zou je zonder veel tegenspraak, maar ook redelijk vaag en vrijblijvend kunnen beweren, is bedoeld om ‘íets met je te doen’. Zelfs als een nukkige kunstenaar zegt dat het hem niks kan schelen wat je ervan vindt of dat hij geen bedoeling met zijn werk heeft, doet het iets met je. Of niets, dat kan ook natuurlijk. Het is de stiel van de kunstcriticus of -interpretator om aan die sensatie uitdrukking te geven, maar die heeft in de tussentijd zoveel woorden en termen bedacht om het kunstwerk te duiden dat je er soms geen touw meer aan kunt vastknopen. Daarom schreef Susan Sontag ooit een baanbrekend essay getiteld ‘Against interpretation’, waarin ze zei dat het maar eens uit moest zijn met dat welbespraakte, intellectuele geïnterpreteer en dat de mens terug moest naar het eenvoudige voelen, ervaren van kunst en dáár woorden voor moest zien te vinden.

Hoe dan ook, ik voel er vaak van alles bij. Als ik renaissance-schilderijen zie met bijvoorbeeld geldwisselaars erop, vrekkige figuren, zo te zien, met die samengeknepen, begerige mondjes, dan voel ik me heel dicht bij de standenmaatschappij van die tijd, ik loop door zestiende-eeuwse straten, proef armoe en rijkdom, de dromen en angsten van de renaissance-mens. Luister ik vervolgens naar Brahms, dan maakt zich een soort donker-protestants gevoel van mij meester, iets noordelijks ook (‘boreaals’, zou Thierry Baudet zeggen).

Licht heroïsch, sensationeel

Het lijkt allemaal wel een beetje op wat ik voel bij de storm die, terwijl ik dit schrijf, om het huis woedt: je voelt je licht heroïsch, sensationeel, het geheel afgeblust met lichte angsttonen, anders dan anders in ieder geval.

Van de week (vreemde uitdrukking trouwens) liep ik door Museum Kranenburg in Bergen, alwaar een tentoonstelling met werk van Aat Veldhoen, in 2018 overleden. Aat Veldhoen is een figuur uit mijn jeugd die ik nog weleens met een kar vol kunstwerken, rotaprenten geheten, door Amsterdam heb zien fietsen, en als hij niet zo’n bekende publieke kunstenaar was geweest, had zijn werk zelf wel een onmiskenbaar tijdsgewricht aan mij opgedrongen, dat van de hippies en provo’s. Bij nader inzien slechts een intermezzo tussen twee preutse epochen, maar toen iets met een heel krachtige geur voor een jongeling als ik. Ik zag Phil Bloom weer voor me, mijn eigen verlangen om los te breken van thuis, schaamteloos te worden, iets nieuws en ongehoords te beginnen, andere godsdiensten uit te proberen. Al die huiselijke hippietafereeltjes, Aat zelf als oude man naakt op zo’n enorm Perzisch tapijt, blote gezinnetjes, een deurknop in de vorm van de penis van de schilder, een dochter die Kabulaatje genoemd werd, naar haar moeder en haar vader, het was even of ik herboren werd in de jaren zestig. Ooit werd een achterneef van me op een hippieboot gefotografeerd voor het tijdschrift Panorama. Maandenlang wenste ik niets anders dan dat mij ook zoiets ten deel viel.

Al die oude dromen en verlangens werden krachtig omhoog gestuwd door de Aat Veldhoen-tentoonstelling. Het mag dan vaag en vrijblijvend zijn om iets te voelen bij kunst, het is wel degelijk de essentie, of eigenlijk ­alles.

Eerdere columns van Rob Schouten leest u hier

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden