EssayLiberalisme

Het liberalisme heeft wat goed te maken

Coen Brummer (1986) is directeur van de Mr. Hans van Mierlo Stichting, het wetenschappelijk bureau van D66. Hij publiceerde De Canon van het Sociaal-Liberalisme (Boom, 2019).

Het liberalisme heeft zijn sociale gezicht verloren, net als een dikke eeuw geleden. Coen Brummer presenteert zijn ‘programma van urgentie’.

Het liberalisme eet zijn kinderen op. Om mensen in vrijheid te laten leven, streeft het naar een terughoudende, kleine overheid. Maar onder zijn invloed is zo diep gesneden dat de overheid haar kracht heeft verloren om mensen te beschermen tegen willekeur en machtsverschil. En dat gaat ten koste van juist die hartstochtelijk nagestreefde vrijheid.

Dat is een moeilijke vaststelling voor iemand als ik, die al in de collegebanken werd gegrepen door deze mooiste politieke filosofie, met haar strijd voor persoonlijke vrijheid, haar vertrouwen in pluralisme en rationalisme en haar geloof in zelfbeschikkingsrecht en democratie. Maar als we willen behouden wat goed is aan het liberalisme, moeten we diep in de afgrond durven kijken.

Ontspoord

De verhouding tussen arbeid en kapitaal is ontspoord, door een enorme toename van flexibele arbeidskrachten en zzp’ers. Het ontbreekt aan bescherming voor werkenden, maar ook aan regels die de samenleving beschermen tegen bedrijven en zelfstandigen die de samen­leving laten opdraaien voor hun private voordeeltjes.

Ons onderwijs slaagt er niet in kansen gelijk te verdelen over kinderen met kansrijke of kansarme ouders, uit sterke of zwakke wijken, met een verleden in Nederland of elders. Het opleidingsniveau van ouders is nog altijd de beste indicatie om te bepalen welk onderwijs een kind gaat volgen.

Woningen zijn onbereikbaar voor mensen met een gemiddeld salaris. Koopwoningen zijn niet te betalen voor starters zonder hulp. Sociale huur is onvindbaar, vrije huur is onbetaalbaar.

Degenen die de verzorgingsstaat het hardst nodig hebben, missen de competenties om te navigeren door de jungle van bureaucratie en argwaan.

En onder het mom van efficiëntie zijn publieke verantwoordelijkheden naar de markt gebracht of opgegaan in mistige publiek-private samenwerkingen, waar niemand echt de baas over is.

Het resultaat van jarenlang liberaliseren, bezuinigen, privatiseren, opheffen, op afstand plaatsen, ombuigen en hervormen is paradox­aal genoeg een overheid die niet meer in staat is alle mensen te bieden wat daadwerkelijke vrijheid vraagt.

Verkiezingsaffiche van de Belgische liberalen, 1958

Sociale klassen

Als we niets doen, wordt het erger. Nu al zien we de samenleving uiteensplijten in groepen. Scheidslijnen groeien. Tussen hoogopgeleiden – met goede banen, een koophuis, een goed inkomen en spaargeld – en lager opgeleiden zonder dit alles. Waar liberalen het liefst praten over individuen, maakte het controversiële idee van sociale klassen zijn rentree in het publieke debat.

Dit is een giftige mix met wat ons nog te wachten staat: de roaring twenties, vol robotisering, flexibilisering en digitalisering. Dat zijn nogal vage begrippen, maar er gaan veranderingen achter schuil met grote gevolgen voor de vrijheid van mensen. De verdere opkomst van robots zorgt voor nieuwe machtsverschillen en economische ongelijkheid tussen eigenaars van machines en mensen die ermee werken. Een ander gevolg is toename van het aantal onzekere banen, door de voortdurende druk van vraag en aanbod via de ondoorzichtige werking van platforms en apps. En de steeds grotere invloed van algoritmes en big data zal minder kansrijke mensen uitsluiten; bedrijven en overheden zullen steeds meer weten van mensen, maar zelf steeds geslotener worden. Deze ontwikkelingen kunnen de scheidslijnen in de samenleving versterken.

De combinatie van groeiende scheidslijnen, grote technologische veranderingen en een overheid die decennialang is ontdaan van haar ordeningsmacht is een fundamentele crisis voor het liberalisme. In ideologische zin heeft het liberalisme in Nederland vijftig jaar stil gestaan. En dus is het niet klaar voor de veranderingen die nu op ons afkomen. De historische liberale belofte was een universalisme: vrijheid voor zoveel mogelijk mensen. Maar dat idee lijkt verder weg dan het lange tijd is geweest.

Negentiende eeuw

Het is niet voor het eerst dat het liberalisme in crisis is. Ook aan het einde van de negentiende eeuw had het wat goed te maken. Nederland was in hoog tempo geïndustrialiseerd en verstedelijkt. De groei van steden, de opkomst van fabrieken en het gebrek aan goede woningen en sociale voorzieningen zorgden voor een schrijnende situatie.

Steden als Amsterdam, Haarlem, Den Haag, Rotterdam en Tilburg waren in korte tijd in omvang verdubbeld. Het land stond vol met erbarmelijke huizen, slecht voor de gezondheid van bewoners. Fabrieken en werkplaatsen stonden her en der verspreid in de wijken. Arbeiders verdienden weinig en werkten onder slechte omstandigheden. De kinderwet die Sam van Houten in 1874 door de Tweede Kamer had geloodst, had weinig tot geen effect gehad op de wijd verspreide kinderarbeid. Niet voor niets kwam de situatie van arbeiders bekend te staan als de ‘sociale kwestie’.

VVD-affiche 1959

Liberalen hadden niets gedaan tegen deze uitwassen van de nieuwe economie. De grondwet van Thorbecke (1848) gaf vrij spel aan maatschappelijke krachten. De deftige liberale heren geloofden in de economische theorie van die dagen, een laissez-fairedoctrine. Maar geconfronteerd met de verkrotting, de honger, het drankmisbruik en de slechte hygiëne in huizen en werkplaatsen, moesten de liberalen uiteindelijk concluderen dat de basis van hun denken geen soelaas bood.

‘Kennis, zedelijkheid en rijkdom’

Een nieuwe generatie liberalen moest het ­liberalisme heruitvinden. In 1874 sprak de liberaal Kappeyne van de Coppello in de Tweede Kamer. “Als wij vijfentwintig jaar terug blikken, dan zien wij dat de algemene opvatting was, dat de Staat niets anders is dan een grote politiemacht, die slechts te zorgen had voor de veiligheid van de personen en goederen.” Maar dat was verleden tijd. De staat moest ook op­komen voor het ‘volksbelang’ op het gebied van ‘kennis, zedelijkheid en rijkdom’. Deze generatie liberalen wilde emanciperen, maar zag ook dat ‘geen handeling, geen nalatigheid van het individu zonder terugwerking blijft op het geheel’.

Twaalf jaar later, in 1886, pleitte de latere premier Cort van der Linden in een essay voor een ambitieuze agenda van werknemersverzekeringen, armenzorg, pensioenen en een forse uitbreiding van het kiesrecht. In 1893 publiceerde hij een nog feller stuk, waarin hij de schuld van misstanden bij de oude liberalen legde: “Het kapitaal vermeerdert en vermeerdert, maar op de puinhopen van verspild en vernietigd kapitaal. En de arbeiders, onzeker, her- en derwaarts gedreven, in dienst van telkens nieuwe meesters, drijven elkander de arbeid uit de hand en het loon uit de zak.”

Einde van het laissez-faire

Het was de start van ideologische vernieuwing, van een liberalisme dat oog had voor de nieuwe economie. Een liberalisme dat dieper nadacht over de randvoorwaarden die onmisbaar waren voor een leven in vrijheid. Het markeerde het begin van het einde van het laissez-faire van de oude liberalen.

Uiteindelijk vond dit nieuwe liberalisme zijn weg naar kabinetsbeleid. Bij de verkiezingen van 1897 behaalden de progressieve liberalen van de Liberale Unie een overwinning. Econoom Nicolaas Pierson werd premier. Bij het eerste debat sprak het jonge Kamerlid Nolens de wens uit dat het kabinet ‘er een zal zijn van sociale rechtvaardigheid’.

En dat werd het, met de introductie van een leerplichtwet, een gezondheidswet en een ­woningwet. Dat was het begin van het einde van de miserabele situatie in de oude binnensteden. Ouders konden voortaan uit hun ouderlijke macht worden gezet als zij hun kinderen verwaarloosden, de basis voor de huidige kinderbescherming. En met de ongevallenwet ontstond de eerste werknemersverzekering.

In een tijd van grote veranderingen maakte het kabinet-Pierson goed wat het liberalisme decennialang had laten liggen. En bijgevolg vond het het liberalisme opnieuw uit. Het kabinet opereerde met zoveel daadkracht, dat het in vier jaar de basis legde van de moderne verzorgingsstaat. Het is wel omschreven als ‘het perfecte kabinet’.

Het programma van het kabinet van Pierson ontstond niet aan de formatietafel, maar in een ‘programma van urgentie’ van de Liberale Unie uit 1896: hoofdpunten die elke kandidaat volledig moest onderschrijven. Net als toen is een kabinet nodig met een programma van urgentie dat goedmaakt wat te lang is blijven liggen.

Programma van urgentie

Het is tijd voor een programma van urgentie voor de onstuimige jaren twintig.

1. Laat de liberale illusie los dat flexibilisering vrijheid is. Nederland telt ruim twee miljoen flexible werknemers en een miljoen zzp’ers, onder wie schijnzelfstandigen en ‘gedwongen’ zzp’ers. 40 procent van de zzp’ers regelt niks voor als ze geen werk hebben of ziek worden. Dat is een sociaal probleem, maar ook een groeiend publiek risico, omdat zij uitindelijk naar de overheid zullen kijken voor steun.

2. De overheid dient mensen voor te bereiden op verandering. Robotisering en automatisering zijn niet te stoppen, maar als de wereld verandert in het nadeel van mensen, zijn zij minder vrij. We moeten ons het lot van mensen die niet meekomen veel meer aantrekken. Investeer fors in leren, omscholing en training en hou rekening met (tijdelijke) werkloosheid, door te investeren in een fonds waaruit zij steun kunnen krijgen voor hun ontwikkeling.

3. Beschouw meer economische gelijkheid niet als links of anti-liberaal, maar als voorwaarde voor democratie. Inkomens zijn in Nederland relatief gelijk, vermogens niet. Dat veroorzaakt machtsverschillen die in de toekomst groter worden: robotisering en automatisering bevoordelen kapitaal boven arbeid, omdat kapitaalintensieve machines kunnen worden ingezet die werknemers zulen beconcurreren of vervangen. Werknemers moeten meer macht en geld krijgen, vermogens hoger belast.

4. Gelijke behandeling in gelijke gevallen is de kern van de rechtsstaat. Dat ligt onder vuur door profiling, algoritmes en big data, die individuen reduceren tot een verzameling eigenschappen in een systeem. Met als dystopisch toekomstbeeld dat afkomst, geslacht of opleidingsniveau automatisch iemands kansen bepalen. Stel strenge regels en voorkom dat minder kansrijke mensen automatisch vaker onderwerp zijn van verdachtmakingen of controles.

5. Vertrouwen in democratie vraagt echte invloed. Laat mensen meepraten en meebeslissen over grote ontwikkelingen, zoals rond het klimaat. Organiseer geen klimaattafels met lobbyorganisaties, maar met burgers. Herdefinieer, na jaren van privatisering en overheidstaken op afstand plaatsen, wat de publieke zaak is en wie daarover gaat. Maak democratie en bestuur toegankelijk(er) voor iedereen, niet alleen voor hogeropgeleiden. Zorg dat grote bedrijven, zoals big tech, Shell en Unilever, altijd verantwoording verschuldigd zijn aan democratie en bestuur. Dat vraagt strenge (mededingings-) regels, eerlijke belastingen, maar ook een vastberaden houding van politici.

De prijs van nietsdoen is dat de linker- en rechterflanken van de politiek de toekomst gaan beheersen. Met aanzienlijk minder oog voor persoonlijke vrijheid, rechtsgelijkheid en zelfbeschikkingsrecht. Daarom is het tijd het liberalisme opnieuw uit te vinden. 

Lees ook: 

Heinz Bude: De ongelijkheid in onze maatschappij is ontspoord

In onze welvaartsstaat ligt de nadruk meer op rechtvaardigheid dan op solidariteit, stelt socioloog Heinz Bude. ‘De vraag ‘Wat heb je nodig?’ wordt te weinig gesteld.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden