Column Rob Schouten

Het kruis van de schrijver bestaat uit dat lege, hatelijk witte vel papier voor hem

In de komende discussie over zwaar werk en vroeg pensioen zal het niet over schrijvers gaan. Schrijven is geen zwaar werk. Je krijgt er geen rugklachten van en er komen geen roetdeeltjes bij je binnen. Zelfs in vergelijking met andere kunsten is het licht gedoe. 

Ik ken een concerttrompettist die zo doof als een kwartel is geworden, ballet is ook niet goed voor je lichaam en wie weet wat je bij het schilderen allemaal aan gif binnen krijgt? Niets daarvan bij de schrijver, die veilig opgeborgen aan zijn bureau zit met een pen in zijn hand en de andere hand in de haren. Want dat is misschien zijn enige zwaarte, die eeuwige vraag: waarover zal ik het nu weer eens hebben?

Om te kunnen schrijven moet je namelijk dingen bedenken en dat valt soms niet mee. Er zijn dagen dat ik ernaar snak op een kantoor te zitten en voortgestuwd door de onbekende noodzaak der dingen papieren in te vullen en telefoontjes te plegen. Maar het kruis van de schrijver bestaat uit dat lege, hatelijk witte vel papier voor hem.

Oneerbaar

Soms drukt het relatieve gemak van zijn bezigheden op de schrijver: waar is hij eigenlijk mee bezig? Zelfs mijn eigen vader, als predikant toch ook niet het voorbeeld van iemand met z’n poten in de modder, vroeg zich geregeld af wat ik eigenlijk uitvoerde. Ik schrijf, had ik kunnen zeggen, maar dat klinkt net zoals ‘ík denk na’ of ‘ík ben bezig me te concentreren’. Smoesjes dus. Het beste is dan ook om op zulke oneerbare opmerkingen maar niet te reageren en voort te gaan met je miskende arbeid.

Toch is het schrijverschap niet alleen maar licht, en de wereld weet het. Dat komt omdat schrijvers er niet voor terugdeinzen om over hun problemen te klagen. Je zou zelfs kunnen zeggen dat een zorgelijke wereld hun broodbeleg is. En omdat ze nu eenmaal schrijver zijn, zijn deze zorgen beter gedocumenteerd dan die van tegelzetters of mijnwerkers.

Delirium

Ik zit te lezen in ‘Elke vriendschap met mij is verderfelijk’, de briefwisseling tussen Joseph Roth en Stefan Zweig. De één een alcoholische armoedzaaier, de ander min of meer een grand seigneur. Roth is de ellendelaar die moet bedelen, en hij doet dat ongegeneerd: “U bent de enige die me werkelijk kan helpen. Alleen u kunt mijn leven veranderen en redden. Ik hoop dat u me komt redden. Ik smeek u werkelijk uit de grond van mijn hart. Ik wil niet stom aan mijn einde komen.” En de grootmoedige Zweig blijft ’m maar geld toestoppen en goede raad geven: “Uw dagelijkse alcoholrantsoen moet omlaag. Ik heb zelf ervaren, even verslaafd als ik was aan nicotine als aan jenever, dat men met wilskracht iets kan bereiken.”

Wie wil lezen over de twee kanten van het schrijverschap, moeite en gemak, zwakte en kracht, moet vooral deze epistolaire ontboezemingen lezen. Overigens haalden beiden de pensioengerechtigde leeftijd niet, Joseph Roth eindigde in 1939 op vierenveertigjarige leeftijd met een delirium in het armenziekenhuis waar hij aan een longontsteking stierf, Stefan Zweig pleegde in 1942 op zestigjarige leeftijd ‘aus freiem Willen und mit klaren Sinnen’ samen met zijn vrouw zelfmoord, treurend over de ondergang van zijn Europa.

Eerdere columns van Rob Schouten leest u hier.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden