Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Het kerkasiel ondergraaft het vertrouwen in de democratische rechtsstaat

Opinie

Hans Goslinga

Hans Goslinga © Trouw
COLUMN

In zijn beroemde opstel ‘De smalle marge van democratische politiek’ schreef PvdA-leider Joop den Uyl in 1970: ‘Wie de wet verzet al naar het uitkomt, baant de weg voor het recht van de sterkste.’ 

Hij gaf daarmee lucht aan zijn beduchtheid voor buitenparlementaire acties die de grenzen van de democratische rechtsstaat tarten. In zijn dagen ging het vooral om acties van opstandige studenten, zoals de geruchtmakende bezetting van het Maagdenhuis, het bestuurlijke centrum van de Universiteit van Amsterdam. Tot verontwaardiging van een deel van zijn partij keurde Den Uyl deze bezetting af ‘als een poging door eigenrichting bepaalde eisen af te dwingen.’ Zou hij dat oordeel ook vellen over de actie van leden van de protestantse Bethelkapel in Den Haag om door het verlenen van ‘kerkasiel’ uitzetting van een Armeens gezin te voorkomen?

Lees verder na de advertentie
Het is de vraag of de overheid het buitengewone verzet niet over zich heeft afgeroepen door het kinderpardon uit 2012 op een buitengewoon krenterige wijze toe te passen

Den Uyl haal ik erbij omdat hij een genuanceerde visie had ontwikkeld en niet bang was een in eigen kring impopulair standpunt in te nemen. Als reformist verwierp hij de weg van de revolutie met haar credo ‘de staat verdrukt, de wet is logen’. Hij koos vol overtuiging voor de weg van het parlement en het recht en zag de wet niet als bedrog, maar als ‘de moeder van de vrijheid’. De meeste rechtsregels, betoogde hij, zijn immers geschreven ter bescherming van de zwakken.

Nood breekt wet

Dat betekende niet dat hij elke buitenparlementaire actie afkeurde. De sleutelzin in zijn opstel is deze: ‘Bij het gebruik van onwettige middelen is er een smalle marge van wat eigenlijk niet mag, maar soms kan worden aanvaard ter wille van de nood, die de wet breekt.’ De afweging komt hier dus heel nauw, want wat ‘nood’ is voor de een, hoeft dat niet voor de ander te zijn. Het is schaatsen op dun ijs.

PVV-leider Wilders stelde in de strafzaak tegen hem in 2010 zijn eigen wet met de uitspraak: ‘Als iets waar is, kan het niet strafbaar zijn.’ Zijn waarheid was in dit verband dat de islam ‘een kwaadaardige ideologie’ is ‘die onze vrijheid bedreigt’. Wilders plaatste aldus de waarheid boven de wet, zoals de actievoerders in de Haagse Bethelkerk met steun van de PKN de nood boven de wet plaatsen. 

Een wezenlijk verschil is dat Wilders de aanpak van wat hij als een misstand beschouwt, niet binnen de grenzen van de democratische rechtsstaat zoekt. Hij heeft een- en andermaal een lange neus getrokken naar het parlement en de rechterlijke macht en laat er geen twijfel over bestaan dat hij de vrijheden van de moslims wil inperken.

Precair terrein

De actievoerders in de Haagse kerk hebben niet het oogmerk de democratische rechtsstaat opzij te zetten. De vorm van kerkasiel die zij hebben gekozen is zelfs wettig (de politie mag geen kerk betreden waar een dienst gaande is), maar zij belemmeren, hoe je het ook bekijkt, wel degelijk de gang van het recht.

Daarmee hebben ze zich op precair terrein begeven, ook omdat het hier niet alleen gaat om goede bedoelingen, maar ook om de ongunstige ­effecten, waarop Den Uyl destijds wees.

De toenmalige staatssecretaris van asielbeleid Kosto (PvdA) zei in 1993 dat kerkasiel in een democratische rechtsstaat ongewenst is. Je kunt niet de uitkomsten frustreren van een beleid dat het resultaat is van uitvoerig publiek en politiek debat, advisering, burgerlijke acties en rechterlijke toetsing. Onze wetgever houdt zelfs rekening met uitkomsten die uit humanitair oogpunt zo schrijnend zijn, dat de staatssecretaris naar eigen inzicht tot toelating kan besluiten.

Koel en afstandelijk

De nogal wrange ironie is dat deze discretionaire bevoegdheid de laatste tijd wordt uitgehold door de tendens de staatssecretaris daarop openlijk aan te spreken. Dat was opzichtig het geval in de kwestie van de Armeense kinderen Lili en Howick. Daarin ging de staatssecretaris, de liberaal Harbers, onder druk van de omstandigheden en de publieke opinie in het elfde uur overstag.

Heel fijn voor de kinderen, tegelijk een ongewilde demonstratie van willekeur. De pest in deze zaken is dat een rechtsstatelijke benadering al snel koel en afstandelijk overkomt, zeker afgezet tegen de emoties die in individuele gevallen als vanzelf een rol spelen, maar die – een nieuw aspect – bij vermenigvuldiging via de sociale media onhoudbaar worden.

De ervaring op dit vlak leert dat het vrijwel ondoenlijk is het recht in overeenstemming te brengen met het gevoel voor rechtvaardigheid. Dat zou juist tot terughoudendheid moeten nopen bij het inzetten van kerkasiel, omdat dit middel het vertrouwen in de democratische rechtsstaat hoe dan ook ondergraaft, de emoties aanwakkert en daarmee het risico van willekeur vergroot.

Toch is hier in laatste instantie de vraag of de overheid het buitengewone verzet niet over zich heeft afgeroepen door het kinderpardon uit 2012 op een buitengewoon krenterige wijze toe te passen.

Hans Goslinga schrijft elk weekend een beschouwing over de staat van onze democratie.

Lees ook:

Het ‘Ja, dus?’ van Dijkhoff tekent het grote ongemak over het kinderpardon

Nemr is acht jaar – bijna negen – en werd in één klap de nieuwe Lili en Howick. Hij is een van de kinderen die hier al meer dan vijf jaar zijn, en toch wordt uitgezet naar Irak, waar hij nooit gewoond heeft. Documentairemaker Tim Hofman van het populaire youtube-kanaal #Boos nam hem mee de Tweede Kamer in en confronteerde VVD-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff met Nemrs verhaal. Voor de 400 kinderen als Nemr zal de politiek tot die tijd een antwoord moeten vinden. 

Deel dit artikel

Het is de vraag of de overheid het buitengewone verzet niet over zich heeft afgeroepen door het kinderpardon uit 2012 op een buitengewoon krenterige wijze toe te passen