null Beeld
Beeld

ColumnHans Goslinga

Het getouwtrek over de Kaag-documentaire toont de obsessie met de beeldvorming

Hans Goslinga

In 1994 verzette oud-VVD-leider Hans Wiegel zich fel tegen de vorming van een kabinet met PvdA en D66. Zo’n paarse coalitie zou ruimte scheppen voor nieuwe partijen rechts van de VVD en de vertrouwde orde in ons politieke bestel doorbreken.

Wiegel kreeg met enige vertraging zijn gelijk. In 1998 behaalde de VVD onder Bolkestein met 38 zetels het beste resultaat tot dan toe, maar vier jaar later leed de partij zwaar verlies en vulden twee populistische partijen het gevreesde ‘gat op rechts’. Dat is zo gebleven. De orde van het driestromenland, met de PvdA op links, de VVD op rechts en het CDA in het midden, is voorgoed verstoord. Voor zover zich nu een gat in het politieke krachtenveld openbaart, is dat het ‘gat in het midden’.

Dat uit zich in een ongekende impasse in de kabinetsformatie na wat je, door de crisis die de toeslagenaffaire in ons staatsbestel blootlegde, een rampjaar mag noemen. Het nieuwe kabinet moet redelijkerwijs uit het midden worden gevormd, maar daar heerst bijna volledige verlamming. De toestand doet denken aan de tweede paarse periode (1998-2002), toen de overheid ook verwikkeld raakte in affaires en schandalen (IRT, Schiphol, bouw, hbo-fraude) en het in zichzelf gekeerde leiderschap onmachtig was richting te geven.

Herrie schoppen en ontregelen

Zo’n politiek vacuüm is ernstig. Als het midden het laat afweten, wordt het publieke en politieke debat een gemakkelijke prooi van politici en media die louter uit zijn op herrie schoppen en ontregelen. In zo’n situatie kan een zaakje van niks, zoals het getouwtrek over de Kaag-documentaire van de VPRO, snel uitgroeien tot de kwestie van de week.

Het marchanderen tussen makers en betrokken partijen, in dit geval D66 en ambtenaren van buitenlandse zaken, is van alle tijden. Voor zover het iets nieuws laat zien in de stand der dingen in Den Haag is het de obsessie met beeldvorming. Die bezetenheid is terug te voeren op de waarneming die Anne-Marie Stordiau, de grand old lady van de Haagse voorlichters in ruste, al in 2007 deed: ‘Een minister is voor zijn politieke voortbestaan afhankelijk van het profiel dat hij opbouwt. Was vroeger de kern van een departement de beleidsvorming, nu is (politieke) communicatie doorslaggevend voor zijn of haar succes’.

De minister is in deze optiek dus geen beleidsmaker meer, maar nog slechts een boegbeeld dat zo ongeschonden mogelijk moet blijven. In Zuid-Afrika hebben ze een trefzeker woord voor voorlichter: beeldpoetser. Op de vierkante kilometer van bestuurlijk en politiek Den Haag lopen duizend van zulke beeldpoetsers rond. Ze willen alles weten als je hun minister hebt geïnterviewd: wat wordt de kop en wat ga je in de ankeiler op de voorpagina zetten? En er is druk: het zou mooi zijn als het in zaterdagkrant komt, enzovoort.

Das war einmal

De obsessie met beeldvorming is in wezen net zo’n symptoom van de ideologische leegte als het populistische spel van provoceren en blameren dat het politieke debat dreigt te verdringen. De vergaderzaal van de Tweede Kamer wordt, voor je het weet, louter nog decor van filmpjes die partijen van hun boegbeeld maken om op sociale media te zetten. Het Kamerdebat als toneel waar de strijd tussen maatschappelijke belangen wordt beslecht? Das war einmal.

De historicus Huizinga (1872-1945) gaf in de jaren dertig een korte definitie van propaganda: de kunst om het publiek iets te doen geloven wat je zelf niet gelooft. Hij toonde zich beducht voor de radio. Dit nieuwe massamedium leende zich bij uitstek voor suggestieve reclame en propaganda om de bevolking te bewerken. Hoewel hij geruststellend schreef dat het Nederlandse volk nooit ontvankelijk is gebleken voor politiek extremisme, was hij daar vanwege de opkomst van de radio minder zeker van. Het zou hem nu duizelen.

Dat politici zaken wat mooier willen voorstellen dan ze zijn, begrijpt iedereen. Maar als de beeldvorming een doel in zichzelf wordt, liggen gevaarlijke vervolgstappen op de loer, eindigend in de leugen of, erger nog, het verdacht maken van de waarheid. In Den Haag kom je alle gradaties van dit proces tegen, zoals de journalisten, advocaten en Kamerleden die de toeslagenaffaire aan het licht brachten, hebben ervaren.

Wiegel maakte bij zijn aantreden als minister in 1977 nog een verhelderend onderscheid, toen zijn chef voorlichting, de gekende PvdA’er Dick Houwaart, hem vroeg of zij wel konden samenwerken. Het antwoord van Wiegel in verkorte vorm luidde: ‘U doet de voorlichting, ik de propaganda’. Je zou er een vrije vertaling in kunnen zien van het journalistieke credo ‘Commentaar staat vrij, de feiten zijn heilig’, dat hoofdredacteur C.P. Scott van de Manchester Guardian precies honderd jaar terug formuleerde. Met een terugkeer naar deze kernwaarde kan het gat in het midden al flink worden gedempt.

Hans Goslinga schrijft elk weekend een beschouwing over de staat van onze politiek en onze democratie. Lees ze hier terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden