opinie

Het gerechtshof gaat veel te ver met het Urgenda-arrest

Urgenda-directeur Marjan Minnesma omhelst haar advocaat na de uitspraak van het gerechtshof dat de overheid moet zorgen voor de reductie van CO2-uitstoot. Beeld AP

Dat het hof de politiek op de vingers tikt in de klimaatzaak, gaat in tegen de democratie, zegt jurist Marcel Buurman.

Het arrest van het gerechtshof Den Haag in de Urgenda-zaak bevat een ernstige gedachtenfout die een bedreiging vormt voor de rechtsstaat.

Zoals bekend gaat het er om dat de rechter de regering heeft bevolen om ervoor te zorgen dat de uitstoot van CO2 in 2020 met 25 procent is verminderd ten opzichte van 1990. Dat doet de rechter met een beroep op de artikelen 2 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM), kortweg het recht op leven en het recht op een privéleven.

Vier uitspraken

In de motivering verwijst het gerechtshof naar vier uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. In elk van deze uitspraken is sprake van een concrete dreiging voor personen als gevolg van de aanwezigheid van een inrichting in hun directe nabijheid. 

Steeds ging het om een situatie waarin mensen ernstige schade ondervonden als gevolg van de grove nalatigheid van de overheid (ontplofte vuilnisbelt met vele doden, modderstroom, waterlozing, ernstige luchtverontreiniging). Er kon concreet worden gemaakt wat de overheid had moeten doen om de veiligheid te waarborgen, zoals het uitvoeren van reparaties. Het gaat steeds om specifiek aanwijsbare locaties.

Deze uitspraken hebben een fundamenteel ander karakter dan de Urgenda-zaak, waar het gaat om een beleidsplan dat is gericht op het realiseren van een maatschappelijk gewenst doel met een algemene strekking, namelijk 25 procent CO2-reductie in 2020. De rechter bepaalde in de Urgenda-zaak dat het bereiken van dit doel noodzakelijk is om het recht op leven van eenieder te waarborgen en dat het bereiken van dit doel op grond van de artikelen 2 en 8 EVRM kan worden afgedwongen.

Volledige vrijheid

Vervolgens vindt het hof dat een bevel om dit doel te halen niet in strijd is met het beginsel van de scheiding tussen rechterlijke, wetgevende en uitvoerende macht (de trias politica), omdat de Staat volledige vrijheid behoudt om te bepalen op welke wijze aan het bevel uitvoering wordt gegeven.

Maar dat argument gaat eraan voorbij dat de rechter helemaal géén vrijheid geeft aan de regering bij het bepalen van het concrete doel. Het probleem is dat de rechter in deze zaak de betekenis van de artikelen 2 en 8 EVRM zo ver oprekt. Op die artikelen is het hele vonnis gebaseerd, maar de rechter motiveert nauwelijks waarom dat het geval is. Hiervoor bleek al dat de verwijzing naar de andere zaken niet correct is. Verder wordt simpelweg gesteld dat het recht op leven en wonen wordt bedreigd door de klimaatverandering, en dat de rechter daarom bevoegd is om te bevelen maatregelen te nemen tegen die klimaatverandering.

Met deze redenering kunnen rechters op tal van terreinen bevelen geven aan de andere machten van de trias politica. Het recht op leven wordt bedreigd door de overdaad aan suikers in onze voeding, dus de rechter mag bevelen dat normen worden opgelegd aan voedingsproducenten. Het recht op leven wordt bedreigd door de uitstoot van fijnstof door auto’s, dus de rechter mag bevelen dat de regering er zorg voor draagt dat er alleen nog elektrische auto’s mogen rijden. Het recht op leven wordt bedreigd door vuurwerk en door alcohol, dus de rechter mag bevelen dat er een verbod op beiden komt.

Het arrest van het gerechtshof ondergraaft in feite onze democratische rechtsstaat, doordat de rechter het evenwicht van de verdeling tussen rechterlijke, wetgevende en uitvoerende macht geheel uit het oog verliest. Waar in Polen de rechterlijke macht onder vuur ligt van de regering, is hier het omgekeerde het geval. De Hoge Raad zal later dit jaar in cassatie zijn oordeel geven. Het is te hopen dat de raad de lagere rechters terugfluit van deze heilloze weg.

Lees ook:

Kabinet gaat in cassatie tegen Urgenda-uitspraak

Het gerechtshof in Den Haag verplichtte de staat om de CO2-uitstoot in 2020 met een kwart terug te brengen ten opzichte van peiljaar 1990. De overheid ging opnieuw in beroep. Volgens minister Eric Wiebes van economische zaken en klimaat is het een ‘principekwestie’. ‘We willen weten of de rechter op de stoel van de politiek kan gaan zitten.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden