Column Sylvain Ephimenco

Het boek ‘Vrienden’ van Krabbé lijkt me met koel bloed geconcipieerd

Op 27 augustus 1984 in de kamer nummer 713 van het hotel Holiday Inn te Eindhoven werd Thea Puijmbroeck dood gevonden. Het kindje van zes jaar was aan een overdosis cocaïne gestorven nadat ze seks met volwassenen had gehad. Het was niet de eerste keer dat haar moeder, een prostituee, haar aan klanten of vrienden ‘uitleende’. Niet alleen hier was deze zaak groot nieuws. Nederland had toen in Europa een ‘stinkende reputatie in kinderporno’ zoals de voorzitter van de organisatie Defence for Children destijds opmerkte. Mijn krant Libération, die mij gevraagd had over dit drama te berichten, kopte toen: ‘Thea, zes jaar, prostituee, aan een overdosis gestorven’. Ik vond deze kop te sensationeel en misschien was dat ook de reden dat ik prompt een uitnodiging uit Parijs kreeg. Die kwam van een Franse uitgever die boeken van Libé-journalisten graag uitgaf. Ik ontmoette hem in zijn statige uitgeverskantoor. De man gebaarde druk, praatte onophoudelijk over New Journalism en zag in mij al de nieuw Truman Capote.

Uit ander hout gesneden

Ja, een soort Franse ‘In cold blood’ moest het worden over de kleine Thea. ’s Avonds, in mijn hotelkamer vlakbij Gare du Nord, voelde ik een zeker ongemak bij mij opkomen. Om mijn eigen In cold blood te schrijven, realiseerde ik me, zou ik veelvuldig contact moeten zoeken met moeder en daders in hun gevangenis. Maar ik was geen Capote en had weinig zin om regelmatig in gezelschap met dat droeve volkje, verantwoordelijk voor de dood van een zesjarige, te verkeren. Ik liet niets meer van me horen.

Schrijver Tim Krabbé is uit een ander hout gesneden. Gedurende jaren bezocht hij Ferdi E., de ontvoerder en moordenaar van Gerrit Jan Heijn, in het gevang. Precies 142 keer. Zijn eigen In cold blood beslaat nu achthonderd pagina’s. Ook ik zag deze week de documentaire ‘De schrijver, de moordenaar en zijn vrouw’ waarin Krabbé uitvoerig hierover vertelde. Ik proefde dezelfde malaise als toen in mijn Parijse hotelkamer. Bij Krabbé werd zijn onderzoek zijn fascinatie en misschien ook zijn verslaving. Hij draagt zelfs een regenjas van Ferdi E. Ook dook hij de koffer in met de vrouw van zijn onderwerp.

Bedrog

Nu is het zo dat Krabbé graag zijn imago cultiveert als zeer potente macho-versierder. In zijn roman ‘Kathy’s dochter’ (2002) vertelt hij als bijna zestigjarige over intense seks met de dochter (28) van een overleden ex-vriendin. Wat waar is van de affaire met de vrouw van de moordenaar, weet ik niet. Ze is ook overleden.

Wat mij stoorde als journalist is dat hij het onderwerp van zijn boek zou hebben bedrogen terwijl de man in de gevangenis zat. Niet in een van die 142 bezoeken heeft hij de bedrogene hiervan op de hoogte durven te stellen.

Is dit onethisch, cynisch, ziekelijk of juist geniaal? Als gerenommeerde schrijver de verwarde vrouw aanschrijven en versieren om toegang tot haar man te krijgen? Joost mag het weten. Maar ‘Vrienden’ van Krabbé lijkt me in ieder geval met koel bloed geconcipieerd.

Drie keer per week werpt columnist Sylvain Ephimenco zijn blik op de actualiteit. Lees zijn columns hier terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden