OpinieKunst

Het beeld van de Randstedelijke, linkse kunstenaar, daar klopt niets van

De liefde tussen sociaal-democratische partijen en de cultuursector dateert pas van de jaren negentig, stelt Thomas van Gaalen. 

Sinds de coronacrisis is het debat over de maatschappelijke waarde van cultuur wederom opgelaaid. Rechtse politici karakteriseren de kunsten steevast als een linkse hobby. Als we echter wat langer stilstaan bij de geschiedenis van de kunstwereld, is het maar de vraag of het hier daadwerkelijk gaat om een links bolwerk.

Al sinds maart is de kunstwereld in rep en roer. Nadat theaters, musea en concertzalen de deuren sloten, lag de Nederlandse culturele sector op zijn gat. De sector – die voor een groot deel bestaat uit zzp’ers zonder financieel vangnet – liep essentiële inkomsten mis. Voor sommige poppodia dreigt een faillissement. De situatie lijkt op die van andere sectoren, zoals de horecasector.

Naast een financiële domper kreeg de kunstwereld ook nog straffe retorische klappen. Minister van economische zaken Eric Wiebes stelde dat zzp’ers toch écht zelf gekozen hadden voor de risico’s van hun huidige heikele positie. Ook kwamen de steunpakketten voor de culturele sector in de ogen van critici laat; dat de KLM al veel eerder financiële steun én uitzonderingen op het maatregelenpakket kreeg, getuigde voor veel creatievelingen van minachting voor de kunsten.

Een poot uitsteken

Andere overheden maakten het nog bonter; in de VS vallen boekhandels als dominostenen om zonder dat de politiek een poot uitsteekt, in Engeland riep de regering musici en kunstenaars op zich maar om te scholen. De veronderstelde minachting raakte bij veel kunstenaars een gevoelige snaar. In Nederland worden – net als in veel andere Westerse landen – de kunsten namelijk al zo’n tien jaar afgeschilderd als een decadente linkse hobby.

Het beeld van de Randstedelijke, linkse kunstenaar wordt nog maar recent op deze politieke manier ingezet, grotendeels vanwege voormalig minister van cultuur Halbe Zijlstra. Die kondigde in 2011 onder grote bezuinigingen aan dat het tijd was om van die subsidietrekkende kunstenaars onafhankelijke ondernemers te maken.

Dominant

Sindsdien is het idee van kunst als linkse, Randstedelijke hobby een vaste troef geworden van rechtse partijen. De kunsten werden in Nederland echter pas tegen het begin van de jaren negentig steevast geassocieerd met de dominante koers van links. De PvdA, lang de grootste linkse partij van Nederland, zette toen met het subsidiëren van kunst in op een open, cultuurrijke samenleving. Ook de Britse Labourpartij koos voor cultuur; Tony Blair investeerde fors in de kunsten om Engelse steden tot aantrekkelijke culturele metropolen te maken. Socioloog David Hesmondhalgh, die onderzoek deed naar cultuurbeleid, toont aan dat dit relatief nieuw was voor links; in eerdere decennia moesten sociaaldemocraten over het algemeen weinig hebben van flamboyante, stedelijke kunstenaarskringen. Hun aandacht lag eerder bij huisvesting, de verzorgingsstaat en materiële verbetering voor de arbeidersklasse.

De toegenomen linkse aandacht voor de kunsten onder PvdA-leider Wim Kok ging samen met een verrechtsing op andere vlakken; dit was de tijd van New Labour, waarin links de vrije markt omarmde en, op het internationale toneel, verhardde tegenover anti-Amerikaanse naties zoals Irak.

De Internationale

Onder Kok en Wouter Bos steunde de PvdA rechts-liberale initiatieven die de verzorgingsstaat deden afbrokkelen, en ontdeden de sociaaldemocraten zich – gedeeltelijk uit schaamte na de val van de Sovjet-Unie – van hun marxistische verleden. Zowel de PvdA als Labour schrapte antikapitalistische statutaire passages. Het marxistische strijdlied de Internationale werd niet langer gezongen bij de opening van PvdA-congressen.

De sociaaldemocraten waren, kort gezegd, een nieuw imago aan het cultiveren. Ze werden liberaler, keerden zich af van de onderdrukte (en in aantal gekrompen) arbeidersklasse en richtten zich op de steden. De stedelijke kunstwereld paste bij de hippe links-liberale demografie die New Labour-partijen probeerden aan te boren. Ook hadden de sociaaldemocratische partijen ingezien hoe goed kunstprojecten konden zijn voor het imago van een land.

De kunstwereld, die versmolten raakte met het beeld van de randstedelijke, Tony Blair-achtige yup, paste niet voor niets in de liberalere houding van de sociaal-democraten. Verschillende wetenschappers stellen dat de kunsten, met hun nadruk op autonomie, individuele expressie en authenticiteit, een langdurige en hechte band kennen met de liberale burgermaatschappij. Dit betekent niet dat kunstenaars nooit optrokken met links; kleinere linkse partijen als de PPR en de CPN deden het in de jaren zestig en zeventig goed in kunstenaarskringen. Desondanks hechtten kunstenaars, net als gematigde liberalen, vaak sterk aan de bewegingsvrijheid, soms ten koste van de gemeenschap. En laat de gemeenschap nou net een speerpunt zijn van klassieke sociaal-democratische partijen. Tot de jaren negentig namen die het op tegen de ieder-voor-zich-houding van liberale partijen. Het was dan ook de liberale burgerij die voor linkse denkers gold als de vijand van de arbeidersklasse.

Links hobby

Het is belangrijk om mee te nemen dat de kunstwereld eerder is gebouwd op liberale waarden dan op die van sociaal-democratisch links. Dat kunst tegenwoordig een ‘linkse hobby’ is, zegt misschien eerder iets over het toegenomen liberalisme onder links dan over de kunsten zelf. Zo’n nuance moeten we meenemen in het politiek-maatschappelijke debat over cultuur. Als alles wat niet strookt met de conservatief-liberale koers van de VVD inmiddels geldt als ‘links’, of het nou gaat om sociaaldemocraten, socialisten of progressief-liberalen, neemt de VVD wel héél veel ruimte in op het politieke spectrum. De partij staat na tien jaar regeren nog ongekend hoog in alle peilingen. Laten we op z’n minst proberen om niet elk tegengeluid te reduceren tot het beeld van een vaag, elitair ‘links’. Dat is wel zo eerlijk voor de oppositie. 

Lees ook:

Dichte musea, lege concertzalen: Europa worstelt met de cultuurverschraling 

Dichte musea, lege concertzalen. Te midden van de corona-epidemie benadrukt heel Europa hoe belangrijk de kunsten zijn. Landen trekken miljarden uit om hun cultuursector overeind te houden. Elk met een eigen plan. Maar dat voorkomt niet dat er inmiddels rode lijsten zijn met cultuurinstellingen die met ‘uitsterven’ bedreigd worden.

Kunstenaars geven het op door de coronacrisis en zoeken ander werk: van het orkest naar de GGD-teststraat voor corona.

Een groot deel van de acteurs, musici en dansers kan nu niet rondkomen. Als er geen steun van de overheid komt, dan zullen ze ander werk moeten zoeken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden