Opinie

Groen van Prinstererlezing

In oktober 2008 woonde ik de Nederlandse première bij van de film Amazing Grace. Het is een film over de strijd tegen de slavenhandel in Groot-Brittannië, met de christen-parlementariër William Wilberforce letterlijk in de hoofdrol. Het was bepaald geen gemakkelijke strijd: na jarenlang zijn voorstellen in het parlement te hebben zien sneuvelen, lukt het hem pas in 1807, na 18 jaar, om zijn wetsvoorstel voor afschaffing van de slavenhandel aanvaard te krijgen. En op 26 juli 1833, drie dagen voor zijn overlijden, kregen zelfs alle slaven in het Brits Gemenebest hun vrijheid terug.

Het levensverhaal van Wilberforce toont de inzet van een christen-politicus als een soms taai en lang gevecht tegen onrecht. Wilberforce hield, ondanks tegenwerking en spot, voet bij stuk. Omdat hij wist dat politiek en macht onderworpen zijn aan de gerechtigheid. Die sprak uiteindelijk krachtiger dan de macht van het getal en het eigenbelang. Dat intrigeerde én inspireerde mij in deze film.

Die inzet van Wilberforce om te strijden tegen onrecht laat wat mij betreft zien waar het hart klopt van de christelijke politiek zoals de ChristenUnie die voorstaat. Dat is prachtig verwoord in de koningspsalm, psalm 72, en in Micha 6:8: het gaat om recht en gerechtigheid doen aan de armen en verdrukten, om rechtvaardig besturen, om trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van God.

Er is veel geschreven over de veelal als ongemakkelijk ervaren relatie tussen het christelijke geloof en (politieke) macht. Zelf voel ik mij onder meer zeer aangesproken door wat Charles Colson, destijds de rechterhand van president Richard Nixon, erover schrijft in zijn prachtige boek Kingdoms in Conflict – An insider’s challenging view of politics, power and the pulpit (1987). Weinigen kennen de verleidingen van de macht beter dan deze man, die één van de hoofdrolspelers in de Watergate-affaire was. Des te sprekender is zijn boodschap als hij, na zijn bekering en zijn gevangenisstraf, een grondige christelijke doordenking geeft van macht en de wijze waarop christen-politici daar op een verantwoorde wijze mee kunnen omgaan. Van hem heb ik onder andere geleerd dat macht geen persoonlijk bezit is, maar dat het iets is wat je ter beschikking wordt gesteld om in ver-antwoord-elijkheid te gebruiken. Veel belangrijker dan het hebben van macht is dan ook welk ‘antwoord’ ik geef als mij wordt gevraagd wat ik heb gedaan met de macht. Christelijk geloof en politieke macht: inderdaad een ongemakkelijke relatie, maar in dit licht beslist geen onmogelijke!

Eerder heb ik de kernopgave voor de christelijke politiek gedefinieerd als ‘de macht dienstbaar maken aan de gerechtigheid’. Het gaat in de christelijke politiek nooit om de uitoefening van macht als zodanig. Dat is wat doorklinkt in het ‘geen aardse macht begeren wij’ (Lutherlied). Macht (of het nu de macht van het geld is of politieke macht) krijgt zijn ware betekenis wanneer het in dienst wordt gesteld van de bijbelse gerechtigheid en daarmee van de ander, de naaste, de samenleving.

Het is ons te doen om de gerechtigheid van het Koninkrijk, die we niet in onze zak hebben, maar die we zoeken en wel bij het licht van de Bijbel. Psalm 36:10 geeft dat prachtig weer: “In Uw licht zien wij het licht.”

Werpt de nieuwe ervaring van regeringsdeelname noodzakelijkerwijze ook een nieuw licht op onze houding ten aanzien van politieke machtsuitoefening? Deze Groen van Prinstererlezing biedt een goede gelegenheid om, één jaar voor het tienjarig jubileum van de ChristenUnie en halverwege deze kabinetsperiode, stil te staan bij de invulling die we vandaag de dag en in onze actuele positie geven aan die roeping van de christelijke politiek.

Vanuit de drieslag ‘verantwoording, bezinning en vooruitblik’ zal ik allereerst ingaan op de vragen die het bedrijven van christelijke politiek in een geseculariseerde omgeving oproept, en vervolgens op de vragen die er leven rond regeringsdeelname en de eigen overtuiging. Tot slot kom ik uit bij wat voor mij de onderscheidende agenda van de christelijke politiek voor vandaag en morgen is.

1. Christenen aan de macht in een geseculariseerd land?

Het heeft iets ironisch: in een fase dat ons land meer dan ooit geseculariseerd lijkt, komt voor het eerst een uitgesproken christelijke partij in de regering. De reacties op dat feit waren dan ook niet mals. Vaak stonden ze stijf van de vooroordelen over het christendom en het christelijk geloof: onderdrukkend, intolerant, terug naar de jaren ‘50. Dat christelijke politiek zou kunnen staan voor bevrijding van onrecht en voor sociale verbeteringen, zoals het voorbeeld van de afschaffing van de slavernij laat zien, is kennelijk niet bij iedereen de eerste associatie.

Dat kan een onaangename schok voor ons zijn, maar het is tegelijk ook heilzaam. Het bepaalt ons erbij dat we geen overspannen verwachtingen hoeven te hebben over het draagvlak voor onze achterliggende overtuiging, en doet ons indringender dan voorheen beseffen wat het vraagt om politiek te bedrijven die voor de hele Nederlandse samenleving betekenisvol kan zijn. Kabinetsdeelname vormt zo een kans om ingesleten vooroordelen ten aanzien van christelijke politiek weg te nemen! Dat vraagt dan wel om de goede toon, creativiteit en soms geduld.

Wat de toon betreft: de aangename ontdekking is dat er voor de overgrote meerderheid van ChristenUnie-standpunten veel draagvlak is. Bij de vorige verkiezingen ontdekten meer mensen dan voorheen dat onze standpunten realistischer zijn dan zij dachten, onder meer dankzij de Stemwijzer. Men deelt dan misschien niet onze uitgangspunten, maar is het wel eens met onze standpunten. Op sociaal-economisch terrein, op het terrein van integratie maar ook ten aanzien van de internationale politiek en duurzame ontwikkeling nemen wij met onze standpunten en visie veelal een natuurlijke middenpositie in, die ons in veel gevallen een bemiddelende rol oplevert tussen partijen ter linker en ter rechterzijde. Het is goed om dit te bedenken als er door onszelf of door anderen ‘winstlijstjes’ worden opgesteld: naast de vele punten uit het Coalitieakkoord die onmiskenbaar het ChristenUnie-stempel dragen, is veel van wat er verder door dit kabinet tot stand wordt gebracht dan misschien niet exclusief ChristenUnie-gedachtengoed, maar betekent het wel degelijk uitvoering van ook óns Verkiezingsprogramma.

Tegelijk moeten we nuchter constateren dat we het met een realistische toon alleen niet redden: voor andere, zeer aangelegen standpunten rond medisch-ethische kwesties, de vrijheid van onderwijs of ten aanzien van huwelijk en gezin is aanmerkelijk minder publieke steun te vinden. Sterker: het streven naar realisatie van ook deze standpunten roept veel maatschappelijke weerstand en verzet en soms zelfs regelrechte vijandigheid op. Dat mag ons zeker niet de passie ontnemen om ervoor te blijven strijden in de toekomst. Die weerstand vraagt om geduld (denk aan Wilberforce!) én creativiteit, namelijk door intussen wél stappen te zetten die laten zien waar het uiteindelijk naar toe moet. Mooi vind ik de beeldspraak van het ‘bloemetje in het beton’. We beseffen: het beton krijgen we niet zomaar weg. Maar het bloemetje laat zien waar het naartoe gaat! Een ‘bloem’lezing: de wetgeving inzake abortus en euthanasie is in het Coalitieakkoord niet afgeschaft, wel is er meer aandacht voor alternatieven, voor hulpverlening en opvang, en voor palliatieve zorg. Het bordeelverbod keert niet terug, wel ligt er nu wetgeving ter bestrijding van misstanden in de seksbranche en worden er uitstapmogelijkheden voor prostituees ontwikkeld. Het aantal echtscheidingen neemt niet zomaar af, wel wordt er werk gemaakt van relatieversterking en conflicthantering, waardoor de schade voor kinderen kan worden beperkt en mogelijk een daadwerkelijke scheiding voorkomen.

En wat het geduld betreft: we hebben vaker gezien hoe we met onze standpunten minstens tien jaar voor de muziek uit liepen. Zo komt er met het Handvest Verantwoordelijk Burgerschap (letterlijk overgenomen uit het Verkiezingsprogramma van de ChristenUnie) eindelijk een evenwichtiger benadering tussen burgerrechten en burgerplichten. Er komt een royalere én rechtvaardiger financiële ondersteuning voor gezinnen. En deze weken horen en lezen we dagelijks hoe onze eurorealistische opstelling inmiddels, zelfs bij vanouds ‘eurofiele’ partijen als CDA en VVD, gemeengoed is geworden. Neem ons standpunt inzake Turkije: wij werden erom verguisd tijdens de campagne rond de Europese Grondwet en nu deelt vrijwel iedereen onze opvatting!

Kortom: beginselvastheid is geen verhindering voor voluit christelijke politiek in een geseculariseerde omgeving, nee: beginselvastheid loont, mits zij gepaard gaat met realisme in de toonzetting, creativiteit en geduld.

Overigens heb ik ernstige twijfels of het adequaat is om onze tijd uitsluitend te duiden in termen van secularisatie. Wereldwijd, maar ook in eigen land komt religie terug als factor in politiek en samenleving. De ingesleten verwachting dat het een kwestie van tijd is voordat Rede en wetenschap alle religie tot het verleden zouden doen behoren, wordt hierdoor gelogenstraft. Eerder noemde ik onze tijd daarom ‘post-seculier’. Misschien heeft de New Yorkse stadspredikant Tim Keller het bij het juiste eind door onze tijd te typeren als een tijd van scepsis: mensen hebben zoveel gezien, dat ze zich over álle ideeën en stromingen afvragen: maar gaat het werken? Dat leidt in elk geval tot een houding waarbij religieuze argumenten evenveel kansen krijgen als niet-religieuze: veel mensen hebben geen vaste set van basisovertuigingen meer, maar staan open voor goede ideeën, ongeacht de herkomst. Ook dat biedt kansen voor een voluit christelijke politiek.

2. Spanning tussen regeren en getuigen

Bij sommigen leeft echter juist de vraag of deelname aan de macht niet ten koste zal gaan van die beginselvastheid. Gaapt er niet een onoverbrugbare kloof tussen ‘meeregeren’ en ‘getuigen’?

Die tegenstelling tussen ‘macht’ en ‘getuigenis’ is echter een valse. Het één kan immers niet zonder het ander en het ander niet zonder het één. In 1994 heb ik het adagium ‘getuigend regeren, regerend getuigen’ gebruikt als karakterisering van een uitgesproken christelijke politieke partij. Dertien jaar later heeft dat met de toetreding van de ChristenUnie tot het kabinet een bijzondere toepassing gekregen. Werd de rol van de partij vanuit de oppositie vaak gezien als die van een bestuurlijk ingestelde getuigenispartij, nu ontwikkelen wij ons meer tot een ‘getuigende bestuurderspartij’. Dat vraagt een voortdurend schakelen tussen de verantwoordelijkheid die een coalitiepartij draagt voor het kabinetsbeleid en de verantwoordelijkheid voor het eigen programma waarvoor wij steun van de kiezers hebben gekregen.

Dit gegeven in zichzelf is natuurlijk absoluut geen reden voor tobberigheid, laat staan voor overhaaste conclusies over de (on)mogelijkheid om in deze nieuwe positie onszelf en onze missie trouw te blijven. Laten we er eerst en vooral oog voor hebben dat we in deze periode unieke mogelijkheden ontvangen om daadwerkelijk vorm te geven aan belangrijke doelstellingen van de christelijke politiek! Ik voel mij iedere dag bevoorrecht met geweldige kansen om vanuit onze bijbels gefundeerde politieke visie goede dingen voor ons land te doen.

Dat neemt niet weg dat het natuurlijk oppassen geblazen blijft dat de macht niet meer met ons doet dan wij met de macht. Zelfkritiek en openstaan voor de kritische blik van anderen blijven geboden.

De spanning tussen deelnemen aan de macht en vasthouden aan het eigen verhaal mag niet wegvallen. Om die spanning te begrijpen is de typering van christenen in de Bijbel als ‘vreemdelingen en bijwoners’ behulpzaam, waar Wim Rietkerk op wees in zijn Groen van Prinstererlezing twee jaar geleden. Christenen zijn ‘vreemdelingen’, omdat ze beseffen dat de toekomst niet hier op aarde, maar in het toekomstige Koninkrijk ligt. Gehecht raken aan macht, triomfalisme over politiek invloed past ons dus niet. Maar we zijn ook ‘bijwoners’, omdat we wel in het hier en nu geroepen worden tot het dragen van verantwoordelijkheid. Onthechting, wereldmijding, zich terugtrekken uit politiek en maatschappij, past ons dus evenmin.

Als ik nog even mag terugkeren naar Amazing Grace: in die film komt een scène voor waarin de voorvechters van de afschaffing van de slavenhandel Wilberforce voor hun zaak proberen te winnen. Wilberforce heeft op dat moment een krachtige bekeringservaring gehad, en aarzelt tussen een loopbaan als predikant of een politieke carrière. Geen onbekend dilemma onder jonge pasbekeerden! Het gezelschap brengt echter naar voren: “Wij hebben gehoord dat u het moeilijk vindt om te kiezen tussen het werk van God of het werk van een politiek activist. Wij stellen in alle bescheidenheid voor dat u beiden kunt doen.” Politieke verantwoordelijkheid nemen en het gehoor geven aan een hogere roeping kunnen hand in hand gaan.

Zonder enige twijfel zit hier een spanning en die moet er ook blijven! Daarom is het zaak dat de ChristenUnie trouw blijft aan de centrale roeping van de christelijke politiek om de macht dienstbaar te maken aan de gerechtigheid. Aan die roeping verandert niets op het moment dat de verantwoordelijkheid die men draagt een andere wordt. Er is geen enkele reden waarom in dit opzicht voor de ChristenUnie op rijksniveau iets anders zou gelden dan voor de SGP op lokaal niveau of de VVD op provinciaal niveau: toetreding tot het bestuurlijk verantwoordelijke college geeft inderdaad een andere positie met andere verantwoordelijkheden dan men als volksvertegenwoordiger droeg, maar verandert als zodanig natuurlijk niets in het principiële gedachtengoed van waaruit een politieke organisatie c.q. een politicus zijn of haar werk verricht. Het maakt geen principieel verschil of men aan die roeping gehoor probeert te geven vanuit een positie op het regeringspluche of vanuit een rol in de oppositiebanken.

De positie van regeringspartij brengt wel de noodzaak met zich mee om opnieuw de houding ten aanzien van het compromis te bepalen. Met compromissen sluiten is op zichzelf niets mis, het hoort bij het politieke vak. De ChristenUnie stelt er een eer in om in de coalitie zo nu en dan een compromis aan te dragen om tegenstellingen tussen de partijen te overbruggen. Een goed compromis draagt dus bij aan de stabiliteit van de coalitie en dat is in het belang van ons land.

Maar het gaat er natuurlijk om spannen als een compromis raakt aan wezenlijke eigen overtuigingen. Vanuit de oppositie is het dan eenvoudiger om ‘nee’ te blijven zeggen tegen een voorstel dan in een coalitie. In een positie van bestuurlijke verantwoordelijkheid vergen de mogelijke consequenties van een onverkort vasthouden aan het eigen standpunt ten minste een expliciete afweging. Niet ieder compromis dat je liever niet zou sluiten is vanzelfsprekend een kabinetscrisis waard‿ En ook dát is in een kabinet niet anders dan in een College van Gedeputeerde Staten of van Burgemeester en Wethouders.

Begrijp mij goed: mijn opvatting over het compromis blijft principieel dezelfde, alleen de positie waarin ik ermee te maken heb is een andere. Het sluiten van compromissen ervaren we – als het goed is – altijd als een worsteling, als uitdrukking van een in de gegeven omstandigheden blijkbaar onontkoombaar, maar daarom niet minder pijnlijk gevoeld onvermogen om de publieke samenleving daadwerkelijk naar de bijbelse norm in te richten. Daarom komt een compromis nooit in de plaats van de eigen overtuiging, maar is het per definitie uitdrukking van een tijdelijke overeenstemming, een tussenstap in de richting van het ideaal.

Is er dan in geval van regeringsdeelname geen grens aan het compromis? Zeker wel. Er kan een moment zijn dat het te bereiken resultaat niet meer opweegt tegen wat moet worden prijsgegeven. Ik heb mij altijd goed thuis gevoeld bij de uitspraak van de onlangs herdachte christen-denker Kees Klop: “De grenzen van het compromis liggen daar waar aan fundamentele principes van één van beide partijen afbreuk zou worden gedaan.” Wat de ChristenUnie betreft kunnen we dan denken aan thema’s als de beschermwaardigheid van het leven, de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van onderwijs.

Kortom: regeringsdeelname van de ChristenUnie betekent geenszins een relativering van uitgangspunten of ‘herbronning’. Tenzij daarmee wordt gedoeld op het voortdurend opnieuw teruggaan naar de bron om daaruit wijsheid te putten voor de vraagstukken voor vandaag. Ik heb mij verbaasd over berichten over herbronning bij de ChristenUnie, en zelfs over een verondersteld afscheid van een ‘herkersteningsideaal’. Met respect, maar bij mijn weten is zo’n ideaal nooit een partijdoelstelling geweest.

Daar staat tegenover dat simpelweg blijven ‘herhalen’ wat ooit gezegd is tekort schiet. Zeker: de eerste dingen moeten steeds weer gezegd worden. Maar even waar is dat nieuwe vragen ook nieuwe antwoorden vergen. Het volstaan met het geven van de antwoorden die we 20, 30 jaar geleden ook gaven, is voor mij bepaald niet op voorhand een bewijs van beginselvastheid: wanneer we ons daarbij geen rekenschap geven van de veranderde omgeving, vragen en issues welke onze aandacht Anno Domini 2009 vragen, zou ik dit eerder een ernstige vorm van plichtsverzaking willen noemen. Christelijk-politiek spreken en handelen is per definitie tijdbepaald. Invloedrijke denkers in de christelijke politieke traditie formuleerden hun gedachten in antwoord op de uitdagingen van hun eigen tijd: Augustinus reageerde met zijn Stad Gods op de afbrokkeling van het nog maar zo kort gekerstende Romeinse Rijk en de vragen die dat opriep over de macht van de God van de Bijbel. Luther schreef in de tijd dat Duitse vorsten hun recht opeisten om tegen de wil van de keizer in hun gebied de protestantse religie in te voeren. Calvijn schreef in de tijd dat de gereformeerde hugenoten hun recht op vrije godsdienstoefening bevochten op het Franse katholieke koningshuis. William Wilberforce sprak en handelde in reactie op het concrete maatschappelijke onrecht van de slavenhandel. Groen van Prinsterer stond op tegen wat hij noemde het ongeloofsbeginsel van de Franse Revolutie, terwijl Abraham Kuyper met zijn organisatietalent op alle maatschappelijke terreinen christelijke invloed trachtte uit te oefenen. En na de oorlog draagt de nadruk op het ‘cultuurmandaat’ binnen het GPV de historische sporen van de wederopbouwperiode, terwijl het verwachtingsvolle gerechtigheidsdenken van de RPF en het spreken over ‘oprichten van tekenen van het Koninkrijk’ ten minste mede een reactie vormde op het cultuurpessimisme van de jaren zeventig. Het is zaak om de essentie, het kernmotief van onze kerkelijke en politieke ‘voorgangers’ te ontdekken en vast te houden, en die te ‘hertalen’ naar de vraagstukken van onze tijd.

3. Vooruitblik

Tot zover mijn reflectie op het concept van politieke macht, de verhouding van de christelijke politiek daartoe, in het bijzonder vanuit de huidige positie van de ChristenUnie.

De logische vervolgvraag is dan natuurlijk: wat dóen we met die macht? Wat betekent het concreet in onze tijd en in onze situatie om de macht dienstbaar te maken aan de gerechtigheid? Hoe ziet onze agenda (dat is: de dingen die gedaan moeten worden) van de christelijke politiek er Anno Domini 2009 uit?

Voor de aardigheid heb ik de 11 punten die ik ooit onder de noemer van ‘de agenda voor de christelijke politiek’ heb opgesomd, er nog eens bijgepakt. Op die agenda stonden destijds onder meer: naar een rentmeestereconomie; schepping en milieu; van verzorgingsstaat naar sociale rechtsstaat; herstel van normen en waarden; versterking van gemeenschapszin en solidariteit; een nieuw perspectief voor werkgelegenheid; bescherming van het leven; de multiculturele samenleving; en politieke vernieuwing en verantwoordelijk burgerschap. Staat u mij de observatie toe dat de overeenkomst met de prioriteiten in het Coalitieakkoord van het eerste kabinet waaraan de ChristenUnie deelneemt op z’n minst treffend mag worden genoemd! Daar ligt dan ook voor een belangrijk deel de verklaring voor het enthousiasme waarmee de ChristenUnie in deze coalitie is gestapt: niet omdat er nauwelijks of geen verschillen zouden zijn met onze partners CDA en PvdA, maar omdat het programma, de visie waarop we elkaar voor deze kabinetsperiode hebben gevonden zo goed aansluit bij essentiële onderdelen van ons eigen christelijk-sociale profiel: Ik citeer het Coalitieakkoord: “Wij willen samen werken aan groei, duurzaamheid, respect en solidariteit. Aan een samenleving waarin oog is voor elkaar en waarin recht wordt gedaan aan ieders mogelijkheden en talenten. Een samenleving ook, waarin de overheid duidelijke grenzen stelt aan wat wel en wat niet kan, waarin vooral de eigen kracht van de samenleving wordt benut en waarin creativiteit en eigen initiatief worden ondersteund. Wij willen werken aan een samenleving waarin mensen zich duurzaam met elkaar verbonden weten.” Dáárom investeert de ChristenUnie in dit kabinet en willen wij dat het een succes wordt: dat is in tal van opzichten goed voor ons land!

Misschien wel de grootste opgave van de politiek in onze tijd en daarmee dus óók (en niet in het minst) van de ChristenUnie in haar huidige positie van regeringspartij, is het thema van de sociale cohesie, zo u wilt: verbondenheid, in een pluriforme samenleving.

Onmiskenbaar kent onze samenleving grote spanningen rond identiteit en omgaan met culturele en religieuze verschillen. Dat hangt niet in de laatste plaats samen met het vraagstuk van de immigratie en in het bijzonder de opkomst van de islam. Maar ook moet gewezen worden op het gebleken onvermogen van de a-religieuze democratie om eenheid en gemeenschap te stichten. Het is al vaker aangehaald: het was oud-VVD-leider Bolkestein die toegaf dat het liberalisme niet in staat is een bezielend verband te verschaffen aan de bevolking. Zeker niet, zo voeg ik eraan toe, aan een volk dat is geleerd om zichzelf te definiëren als consumenten. Dat jarenlang te horen kreeg dat het leven in een rechtsstaat eerst en vooral betekent dat men zijn individuele rechten en vrijheden moet opeisen, dat ieder overheidsoptreden met het oog op sociale rechtvaardigheid ofwel links ofwel betuttelend is, maar hoe dan ook ongewenst, en dat de samenleving bestaat uit ’15 miljoen mensen die je niet de wetten voorschrijft maar in hun waarde moet laten’.

Maar met een dergelijke liberaal-libertijnse mentaliteit houd je een rechtsstaat niet op orde, laat staan een samenleving. Mijn stelling is dat onder veel van de maatschappelijk-politieke spanningen en felle politieke debatten van de laatste tijd een verschijnsel ligt wat ik zou willen noemen ‘een crisis in de res publica’: een gestage erosie van het besef dat er een publieke zaak is, dat wij in Nederland iets gemeenschappelijks met elkaar hebben, het besef van wat ons verbindt temidden van al onze verschillen, het besef dat wij niet alleen rechten hebben maar ook plichten.

Het is nodig om weer een gemeenschappelijk verhaal te vertellen wat niet alleen ‘de boel bijelkaar houdt’, maar waarin Nederland als volk eenheid kan beleven. Op 5 mei j.l. sprak de staatssecretaris van Europese Zaken, Frans Timmermans, over de zoektocht naar ankers en identiteit. Die zoektocht zal dan wel tot zelfkritiek moeten leiden bij die politieke partijen die de afgelopen decennia voortdurend hebben gehamerd op maximale individuele vrijheid en emancipatie. Er is dringend behoefte aan het hervinden, herdefiniëren en herwaarderen van wat Roel Kuiper noemt ons ‘moreel kapitaal’.

Het moet ons iets te zeggen hebben dat bij de start van dit kabinet in februari 2007 het met name de verandering van toon en visie was die breed enthousiaste reacties opriep: na de overaccentuering van het individuele, van de vrijheid-blijheid filosofie van de paarse kabinetten en het door velen als neo-liberaal ervaren beleid van de centrum-rechtse kabinetten-Balkenende 1, 2 en 3, werd er eindelijk weer een verhaal verteld, een perspectief geschetst van gemeenschap, van onderlinge verantwoordelijkheid en verbondenheid, en van sociale samenhang. Met recht en reden kunnen we zeggen dat juist voor het dragen van dat verhaal de aanwezigheid van de ChristenUnie in het kabinet van belang was en is. Het sluit nauw aan bij een christelijk-sociale visie op staat en samenleving, die erop is gericht om mensen in te sluiten, niet uit te sluiten. Dat betekent: ruimte bieden aan verscheidenheid en verschillen, ook religieuze, zonder de eenheid en verbondenheid, het gemeenschappelijke uit het oog te verliezen.

Dat is dus heel wat anders dan de benadering die nu teveel het debat beheerst, voornamelijk uitgedragen door liberale voorvechters van het individu. Zij zien de samenleving nog steeds als een verzameling individualisten, zoals zij vaak zelf zijn. Zij hebben moeite met sterke groepsidentiteiten, vooral als deze levensbeschouwelijk van aard zijn, die afwijken van de eigen seculiere ideeën van wat de maatschappelijke norm moet zijn, bijvoorbeeld over hoofddoekjes. Daarmee slaan zij evenwel de weg in van een seculiere meerderheidscultuur (‘Leitkultur’) waaraan alle burgers en instituties zich dienen te conformeren, en welke wordt bewaakt door de neutrale overheid. Potentieel betekent dit een forse inbreuk op de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Immers, in het publieke domein dient men zich dan te houden aan de staatsovertuiging, terwijl men alleen in het private domein de vrijheid heeft om zich te uiten voorzover dit geen publieke consequenties heeft. Voor deze zogenaamd liberale benadering geldt eigenlijk hetzelfde als voor een theocratische visie, waarin de overheid terecht komt in de rol van hoeder van de waarheid. Dat is zij niet: zij hoedt het recht, niet de waarheid. Waarheid is immers niet afhankelijk van de willekeur van machthebbers: totalitaire regimes laten zien wat er dan gebeurt. Zo’n koers is ook niet in overeenstemming met de Nederlandse historie van een ontspannen en pragmatische omgang met minderheden. Evident is dat zo’n visie in de uitwerking zeer onliberaal en intolerant is, en een probleem voor de vrijheid.

Wat mij in dit verband mateloos stoort is de gemakzuchtige en populistische manier waarop door zowel PVV als VVD de laatste tijd te pas en te onpas gebruik wordt gemaakt van het etiket ‘joods-christelijke waarden’. Wie dit begrip vooral gebruikt om de identiteit van bepaalde groepen aan te vallen, hen vrijheden te ontzeggen die men voor zichzelf opeist en hen daarmee feitelijk uit te sluiten van het publieke leven, heeft weinig begrepen van de kern van het joods-christelijk denken, en dat is: de medemens zien als beelddrager Gods. Die sluit je niet uit, die heb je lief!

De overheid is er om de vrede tussen bevolkingsgroepen te waarborgen, en doet dat niet door wezenlijke verschillen op te heffen of te ontkennen maar door minderheden een belang te geven bij een rechtsstaat die hun vrijheden beschermt. De loyaliteit aan de rechtsstaat (en de ‘res publica’) zal toenemen wanneer die hen daadwerkelijk in hun eigenheid beschermt, en afnemen wanneer die hen niet wezenlijk respecteert in hun diepste overtuigingen.

Het hoort mijns inziens dus bij geloofwaardige en principiële politiek dat een christelijke partij de vrijheden waarvan christenen volop gebruikmaken met evenveel kracht en overtuiging verdedigt voor andersgelovigen, of het nu gaat om het stichten van scholen, het bouwen van godshuizen of om het aanstellen van geestelijke verzorgers in het leger. Zeker als het om dit soort principiële kwesties gaat hoort christelijke politiek wars te zijn van populisme en opportunisme.

In een land waar de staat de vrijheid van alle burgers in gelijke mate beschermt, en bovendien ruimte geeft aan minderheden, kan omgekeerd van die burgers loyaliteit aan de rechtsstaat en verantwoordelijk burgerschap geëist worden. Dat vraagt om een beweging van ‘ik’ naar ‘wij’, om een maatschappelijk ethos waardoor mensen zich niet louter met het eigen private geluk bezighouden, maar ook met dat van de ander. De samenleving, de ‘res publica’ kan niet floreren zonder zo’n ethos. Ons land heeft dringend behoefte aan ‘ bruggenbouwers en vredestichters’, mensen die gemeenschap stichten, zowel onder burgers als politici. Ons land is niet geholpen met het zaaien van verdeeldheid, noch door burgers die overlast of geweld plegen of zich anderszins asociaal gedragen, noch door politici die de onvrede daarover vertolken zonder oplossingen te geven.

Dat is dus ook een opdracht aan onszelf, als politici, om verantwoordelijk om te gaan met politieke invloed. Er is veel onvrede in de samenleving. Het is goed erop bedacht te zijn dat óók bestuurders en politici met de rug naar de samenleving kunnen komen te staan, zowel wanneer zij de onvrede cultiveren als wanneer zij deze negeren. Een politicus schiet te kort door mee te deinen op de golven van onbehagen, én door zich blind te tonen voor wat er in de samenleving speelt. Hij zal moeten werken aan goed bestuur: de oorzaken van de onvrede wegnemen, recht en orde handhaven. Daarvoor wordt hij betaald. Maar tegelijk de rug recht houden als de onvrede ongericht wordt afgereageerd op minderheden of als er fundamentele vrijheden op het spel worden gezet. Zo kan de overheid vredestichter zijn. Dat lijkt mij inderdaad de centrale uitdaging waarvoor wij staan in de politiek.

Slot

De ChristenUnie heeft een unieke kans gekregen om in een geseculariseerde samenleving voluit christelijke politiek te bedrijven. Regeringsdeelname komt niet in mindering op het volgen van onze roeping. De roeping waarom het ons gaat blijft immers in alle omstandigheden dezelfde: macht dienstbaar maken aan de gerechtigheid. Door trouw te blijven aan die roeping blijft de spanning tussen macht en overtuiging bewaard.

Voor de komende periode zie ik het werken aan vrede en verbondenheid in onze samenleving als centrale uitdaging. Een christelijk-sociale visie op staat en samenleving biedt goede aanknopingspunten voor het waarborgen van de vrijheid van minderheden en tegelijk het werken aan verbondenheid in ons land. Ook daarom is de regeringsdeelname van de ChristenUnie niet alleen goed nieuws voor christenen die zich verantwoordelijk weten voor de samenleving waarin zij een plek hebben, maar voor iedereen die hecht aan gerechtigheid, vrede in de samenleving en de vrijheden van onze rechtsstaat.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden