Column

God sta ons nou eindelijk eens een keer bij en doe hier iets aan, verlos die jonge priesters

Beeld Trouw

Er zit een gedicht in mijn hoofd dat ik nergens kan terugvinden. Het begint ongeveer zo: ‘Verwonder u niet als u, rijdend langs heel gewone bomen – toch terecht komt in … Rome.’ Wij reden voornamelijk langs druipende bomen met het voornemen niet te stoppen voordat het warm werd.

Zo belandden we in Rome, waar het soms redelijk, maar in ieder geval uitermate draaglijk warm was. Ik benijd Stijn Fens die hier, als ik hem goed lees, zo’n beetje elke week een paar dagen rondloopt. Dat je dan zomaar de boog van Titus of van Constantijn voorbij rijdt, of de thermen van Caracalla kunt zien, of voorbij de keizerlijke fora kunt wandelen, of langs een gebouw komt dat Mausoleo Augusto heet. Voeg daar de trap omhoog naar de Dioscouren, het Campidoglio met Marcus Aurelius, aan toe en je hebt een droomlandschap in de mooiste zin van het woord.

Thomas Hobbes meldde in zijn ‘Leviathan’ (1651) wat er volgens hem gebeurde met het Romeinse Rijk: ‘Wie nadenkt over de oorsprong van de kerkelijke overheersing, die ziet in één oogopslag dat het pausdom niets is dan de geest van het dode Romeinse Rijk die zichzelf een kroon opzette en op het graf van dat Rijk plaatsnam, want dat is hoe het pausdom opkwam uit de ruïnes van die heidense macht.’

Rake trap

Toen ik dit voor het eerst las (ergens in 1970) keek ik gauw om me heen of niemand het hoorde, want ik vond dit een akelig rake trap. En dan benijden we Stijn weer wat minder. Want zo leuk is het niet om de kerk in haar huidige gedaante gade te slaan. Voor Nederlanders als ik, die de kerk nu meer dan een halve eeuw geleden uitgewandeld zijn, is het katholicisme een soort klederdracht geworden waar men zich niet dan uit toeristische of nostalgische overwegingen in zal uitdossen. 

Het vreemde is dat men in Rome nog in die grappige kledij rondloopt, maar dan in ernst. Ik bedoel: ze kijken alsof ze er echt in geloven, alsof de voorstelling nog niet is afgelopen. Ik word daar een beetje duizelig van, want je krijgt het rare gevoel dat deze gigantische constructie boven een afgrond hangt en dat ze maar één blik omlaag hoeven te werpen en het hele ding zoeft reddeloos de diepte in.

Maar de kerk hangt al twintig eeuwen boven die afgrond, zult u misschien zeggen, hetgeen bewijst dat er andere Krachten zijn dan jij kunt doorgronden, die Haar door de eeuwen heen zwevend houden. Ik geloof er niks van. Maar begrijpen doe ik het evenmin.

Nooit meer

Inmiddels is Ilja Leonard Pfeiffers vervelende gelijk vervelend duidelijk als je de Sint-Pieter in zou willen. Het massatoerisme blokkeert vele deuren waarachter schatten liggen opgestapeld die je nooit meer te zien zult krijgen. Dat gold vreemd genoeg niet voor de fresco’s van Angelico waar we in welhaast kloosterlijke rust langs konden wandelen. Wat een verademing.

In een trattoria om de hoek daar zaten we achter onze zoveelste cappuccino toen er maar liefst zeven erg jonge priesters binnenkwamen. Allemaal gekleed à la Bodar, het witte boordje, het stemmige zwarte pak, 1955 eigenlijk. Na één blik op dit vrolijke Engelstalig groepje schoten we allebei in de lach. Het zal door dat boek van die Franse gay-watcher komen, maar deze jonge mannen leken mij allemaal grondig Grieks (zou Reve zeggen), en ik moest denken aan een grap die ik eerder die dag hoorde: “Rome is the gay capital of the world!”

Heb jij iets tegen homo’s, Keizer? Nee, mevrouw, sommige van mijn vrienden zijn de beste homo’s (gejat van Joe Orton). Maar als ik zulke jongens zie, dan voel ik alleen maar een machteloos verdriet over de leugen die ze moeten leven.

Mensen zijn nog veel gekker dan je denkt. Je bent rond de dertig, je hebt een mooi lijf, eigenlijk zie je er geweldig uit, en je weet ‘t, en dan word je lid van een club die je verbiedt om op die allerleukste manier van je lichaam te genieten, een club die zelfs het hele innerlijke behang van je ziel als iets viezigs beschouwt. Ik zou bijna zeggen: God sta ons bij, sta ons nou eindelijk eens een keer bij, en doe hier iets aan, verlos die jongens.

Lees ook:

Bert Keizer (Amersfoort, 1947) is schrijver, filosoof en arts bij de Levenseindekliniek. Voor Trouw schrijft hij wekelijks een column over zorg, filosofie, en de raakvlakken daartussen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden