ColumnRob Schouten

Geen kunstenaar is meer veilig voor de vermenselijking van zijn imago

Toen de Engelse essayist Charles Lamb ergens begin negentiende eeuw naar de bibliotheek van het Trinity College in Cambridge toog om daar het manuscript van ‘Lycidas’, het gedicht van zijn idool John Milton, te bewonderen, kwam hij diep geschokt naar buiten. In plaats van er het volmaakte handschrift van de goddelijk geïnspireerde dichter aan te treffen had hij een vel vol doorhalingen en herzieningen gezien.

Dit schreef hij erover: ‘Ik had mij Lycidas voorgesteld als van volmaakte schoonheid, waarvan alle delen onverbeterlijk waren, tot, op een kwaad moment, mij het origineel werd getoond, samen met wat minder bekende gedichten van de dichter, in de bibliotheek van het Trinity, als een trotse schat. Ik wou dat ze het in de Cam hadden gegooid, of, zoals de laatste Cantos van Spencer, in het Iers Kanaal. Ik was verbijsterd om die prachtige regels zo wanordelijk te zien, vol krassen en correcties, alsof de woorden sterfelijk en veranderlijk waren, naar believen verwisselbaar. Alsof ze er net zo goed anders hadden kunnen staan. Alsof inspiratie uit stukjes bestond die maar onverschillig fluctueerden en elkaar opvolgden! Ik ga nooit meer de werkruimte van een groot kunstenaar binnen, noch wil ik zijn schilderij zien tot het voorbeeldig van de ezel is gekomen.’ 

 In onze tijd zou schoonheidsaanbidder Lamb helemaal gek geworden zijn

Arme man! Als de dichter Nijhoff in zijn tijd geleefd had, had Lamb iets van hem kunnen leren. Nijhoff werd niet geraakt door de wijze waarop het werk tot stand was gekomen, zijn ideaal was het gedicht als een Perzisch tapijt: ‘Het ís mooi en toch weet je niet wie het gemaakt heeft, weet je niets van diens menselijkheid en levensomstandigheden af. Het is mooi op zichzelf, geheel onafhankelijk van de maker, als een nieuw en ongebonden organisme.’ In onze tijd zou schoonheidsaanbidder Lamb helemaal gek geworden zijn, want sinds de vermeende dood van het opperwezen is het ook met de goddelijke inspiratie gedaan. 

Ik kijk naar ‘TV-Monument’, ‘Wintertijd’, ‘De TV-show op reis’ en naar al die programma’s waarin liefhebbers ons hun grote kunstenaars willen laten kennen, Jeroen Krabbé Van Gogh, Diederik van Vleuten Leonardo da Vinci, Tijl Beckand Bach. Gidsen die ons rondleiden in het rommelige en willekeurige bestaan van de sterren, BN’ers en kunstenaars, dood of levend. We zien wat voor muziek ze in hun auto draaien, aan welke inzinkingen ze onderhevig zijn, hoe ze worstelen met van alles, dat ze vreemdgaan en scheiden, we horen hun kinderen over ze praten. Geen kunstenaar is meer veilig voor de vermenselijking van zijn imago. Je kunt je de schrijver J.D. Salinger voorstellen die ervoor zorgde dat er niemand bij hem over de vloer kwam om zijn ware leven op te tekenen. Van buitenaardse wezens, waarover we vrijwel niks weten, zijn het gewone, meer dan gewone, stoffelijke mensen geworden.

Aan dat alles moest ik denken toen ik dit weekend het standbeeld van Zlatan Ibrahimovic in Malmö omver getrokken zag, omdat hij een concurrerende club dient. Gewoon met één vingerknip van vriend vijand geworden. En tegelijk elders de woede en rouw om Soleimani, die volmaakte volksheld in het vrome Iran.

Eerdere columns van Rob Schouten leest u hier

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden