Geef de universiteit terug aan de burger

Studentenprotest in Parijs, 1968. Beeld Getty Images

De studenten van 1968 wisten de universiteit ‘radikaal demokraties’ te maken; iedereen mocht meepraten over wat en hoe er onderzocht zou worden. Nu zit de academische blackbox weer potdicht. Wat is er gebeurd? Dat vraagt wetenschapsfilosoof en ingenieur Martijntje Smits zich af.

Dient wetenschap de samenleving? Onze overheid geeft er in ieder geval jaarlijks 2,5 miljard euro aan uit. Een groot deel daarvan gaat naar universiteiten. Wát die onderzoeken, daarover heeft de samenleving weinig te zeggen: dat bepalen universiteiten en de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO).

Aan dit eenrichtingsverkeer is iets veranderd dit voorjaar, precies vijftig jaar na ‘mei 1968’: de presentatie van de Nationale Wetenschapsagenda (NWA). Voor die agenda mocht het publiek onderzoeksvragen voorstellen. Er kwamen er 11.700 binnen, die werden geselecteerd op de vraag of ze konden leiden tot nieuwe, veelbelovende onderzoeksrichtingen. Voor dit onderzoek stelde het ministerie ruim 100 miljoen euro per jaar beschikbaar, ongeveer 4 procent van het wetenschapsbudget.

Goed nieuws, zou je misschien zeggen: het publiek mag een beetje meebepalen waar het heengaat met de wetenschap. Slecht nieuws, menen sommige hoogleraren die weinig heil zien in zo’n stem des volks. ‘Is dit alles, vijftig jaar na dato?’, zou de protestgeneratie van 1968 zeggen. Steekt de Nationale Wetenschapsagenda niet erg bleek af bij onze democratische idealen van weleer?

Die generatie heeft ooit een breuk bewerkstelligd met het sciëntofiele tijdperk na de Tweede Wereldoorlog. Wetenschappers kregen in de jaren vijftig en zestig de vrije hand, want als je geld in onderzoek stopte, rolde het maatschappelijke nut er vanzelf uit, zo dachten overheden. Wetenschap genoot een heldenstatus, de oorlog was uitgedraaid op een triomf van wetenschap, met de atoombom, nieuwe kunststoffen - zoals kunstrubber, nylon, polyetheen - en bovendien de radar en de transistor.

Onbehagen

Daar dachten de Franse studenten die in mei 1968 massaal de straat opgingen, heel anders over. Wetenschap diende niet automatisch de samenleving, integendeel: ze bracht ook een hoop ellende voort. Luchtvervuiling, afvalbergen, medische schandalen, milieuschandalen, kernwapenwedloop en een vuile oorlog in Vietnam maakten de beloofde zegeningen der wetenschap op zijn zachtst ongeloofwaardig.

Al het onbehagen van de jaren zestig werd gebundeld: tegen het autoritaire onderwijssysteem, tegen de schadelijke gevolgen van wetenschap en technologie, tegen de economische onrechtvaardigheid en de uitbuiting  van arbeiders, Derde Wereld en natuur, tegen de Amerikaanse inmenging in Vietnam. Studenten eisten op alle fronten medezeggenschap, om te beginnen op de universiteit. Een one man, one vote-democratie moest de enorme macht van hoogleraren indammen.

Nederlandse studenten volgden in 1969 het Franse voorbeeld. Ze doopten in Tilburg de universiteit om tot Karl Marx-universiteit en bezetten in Amsterdam het Maagdenhuis. Ze vonden de universiteit een elitair en hiërarchisch bolwerk, een ontoegankelijke ivoren toren die alleen het kapitalisme en de gevestigde belangen diende.

Onderzoek en onderwijs moesten in dienst staan van alle burgers. De nog jonge Abram de Swaan eiste aandacht voor neokolonialisme, woningnood en het gedachtengoed van Marx en Engels. Studentenleider Ton Regtien wilde zelfs dat ‘de inhoud van onderwijs en onderzoek door de betrokkenen zelf bepaald’ zou worden.

De revolte leidde verrassend snel tot drastische hervormingen van de medezeggenschap. Al in 1970 was er een nieuwe wet. Nederlandse universiteiten kregen universiteits-, faculteits- en vakgroepsraden, waarvoor studenten en wetenschappelijk medewerkers zich verkiesbaar konden stellen.

Ook het onderzoek werd gedemocratiseerd. Het kabinet-Den Uyl stemde, onder het motto ‘spreiding van kennis, macht en inkomen’, het onderzoek af op ‘de prioriteiten van de samenleving’. Burgers kregen er meer invloed op, bijvoorbeeld door de oprichting van ‘wetenschapswinkels’. Hier konden gewone burgers en bijvoorbeeld milieu-organisaties en wijkcomités vragen stellen aan onderzoekers op de universiteit.

Desastreuze gevolgen

De oude garde stond niet te juichen om de nieuwlichterij. Tegenstanders zagen er een regelrechte bedreiging in van de academische vrijheid. Zo schreef Karel van het Reve: “Het is erg jammer en het kan op den duur desastreuze gevolgen hebben, dat een vrij groot aantal leden der universitaire gemeenschap niet inziet dat de eis, dat de universiteit geen vakidioten moet opleiden maar maatschappijkritiek moet bedrijven, een bedreiging inhoudt van de vrijheid van wetenschap.”

Hij legde daarmee het zelfbeeld bloot van de klassieke wetenschapper die zijn werk doet in het rijk van objectieve feiten en getoetste theorieën, streng gescheiden van de samenleving met haar waarden, belangen, politieke overtuigingen en meningen. Een onderzoeker à la Van het Reve vindt dat een goede wetenschapper eigen waarde-oordelen en belangen heeft uitgeschakeld en belangeloos en methodisch werkt. Pas als het onderzoek tot resultaat heeft geleid zet zo’n wetenschapper de deur naar de samenleving weer open.

Wetenschapsfilosofen zoals ik vinden dat klassieke beeld achterhaald. Al ruim voor 1968 stelden wetenschapsfilosofen dat wetenschap niet waardenvrij kan zijn. Niets menselijks is wetenschappers vreemd: ook zij worden gedreven door sociale belangen, emoties en waarde-oordelen, ook bij de keuzes die ze maken in het onderzoek. De eerste onbaatzuchtige onderzoeker moet nog geboren worden. Wetenschappers kunnen maar beter open zijn over hun keuzes in plaats van hun onderzoek tot een ‘blackbox’ te maken. Daar kan namelijk niemand in meekijken en meedoen.

Ik maakte zulk blackboxing-gedrag van dichtbij mee toen ik een onderzoeksprogramma over recycling van plastic afval coördineerde. De vraag was praktisch: hoe beteugelen we de stijgende berg plastic afval en de verspilling van grondstoffen? In gesprekken met promovendi en hoogleraren probeerde ik uit te vinden welke keuzes de onderzoekers maakten tijdens het onderzoeksproces, en waarom.

Eén groep onderzoekers wilde liever werken met een door henzelf ontwikkelde roterende conus-reactor dan met een model dat voor recycling veelbelovender was. Op de eerste reactor kon de groep makkelijker een patent verwerven. In een andere onderzoeksgroep waren de onderzoekers overgestapt op het ontwikkelen van een katalysator voor het maken van nieuwe kunststoffen, in plaats van de beoogde ‘compatibilizer’, een stof waarmee je van plastic afval weer nieuwe grondstof kunt maken.

De hoogleraren stelden dat zij zich bij hun keuzes uitsluitend lieten leiden door wetenschappelijke overwegingen: ze wilden vooral het proces van recycling begrijpen en bovendien wilden ze als onderzoeksgroep scoren met gezaghebbende publicaties en patenten. Politiek en samenleving moesten vervolgens maar kiezen wat ze met de resultaten deden.

Buitenspel

Ik was teleurgesteld. Waarom stelden de onderzoekers de milieudoelstellingen niet voorop? De professoren haalden blijkbaar sterkere prikkels uit het wetenschapsbedrijf dan uit maatschappelijke doelen. Het afvalprobleem telde voor hen wel, maar alleen vóór het onderzoek (bij het formuleren van de onderzoeksaanvraag) en achteraf (politiek en samenleving moesten maar uitzoeken wat ze met het resultaat deden). Maar tijdens het onderzoekstraject in gesprek gaan met andere disciplines, of praten over de toepassing bij het recyclen, was er niet bij - laat staan dat er gesprekken waren met bewoners of milieugroepen. Er waren wel gesprekken, maar die werden alleen gevoerd met partners uit de kunststofindustrie.

Ik denk niet dat deze onderzoekers cynisch waren of het liefst hun eigen hobby’s bedreven zodra het onderzoeksgeld binnen was. Ze redeneerden gewoon als klassieke wetenschappers.

Vijftig jaar later is er van de geest van ’68 weinig over. De democratisering is onder PvdA-minister Ritzen in 1996 vrijwel geheel en nagenoeg geruisloos teruggedraaid, onder invloed van de filosofie van het New Public Management. Het huidige wetenschapssysteem meet het onderzoek met door het bestuur opgelegde criteria waardoor onderzoekers met elkaar de competitie moeten aangaan. Doel is vooral excellence, niet zozeer maatschappelijk nut, wel door de markt bepaalde prioriteiten.

En het publiek? Dat staat buitenspel, het krijgt door de betaalmuren van de uitgeverijen nauwelijks toegang tot wetenschappelijke resultaten en als er al iets te lezen valt, dan is het door het ondoordringbare Engelse academieproza onbegrijpelijk.

In de jaren tachtig zag de ‘ondernemende universiteit’ het levenslicht en kwam het contractonderzoek op, dus uitgevoerd in opdracht van overheid of bedrijfsleven. Daar gaan inmiddels honderden miljoenen in om. Dat was een heel andere invulling van de gedachte dat de wetenschap afgestemd diende te worden op wat de samenleving belangrijk vond.

Eenrichtingsverkeer

Aan het begin van de 21ste eeuw zijn veel wetenschapswinkels verdwenen, versoberd of ondergebracht in centra voor kennisoverdracht. Tegen de geest van de oprichters in kunnen bij de overgebleven winkels ook kapitaalkrachtige bedrijven terecht.

‘Maatschappelijk relevante wetenschap’ en wetenschappelijke kwaliteit staan nu min of meer tegenover elkaar, mede dankzij het rigide publicatieregime waardoor wetenschappers die strikt binnen de grenzen van een discipline werken als ‘excellenter’ worden beoordeeld dan hun interdisciplinair werkende collega’s die zich bezig houden met lastige maatschappelijke vraagstukken.

Van de democratische idealen is in het wetenschapsbedrijf weinig over. Daarom zou de nieuwe Wetenschapsagenda een lichtpunt kunnen zijn, want er is tenminste weer een vorm van publieke invloed. Of is het eerder een pr-stunt: zie je wel, we nemen de wensen van het publiek heel serieus? Als optimist zie ik er graag een kentering in. Maar wel een voorzichtige, want door haar geringe omvang en opzet is ze vooralsnog niet meer dan een cosmetische operatie. Aan het openen van de blackbox draagt ze weinig bij, vrees ik.

Wat is het alternatief? Als we grote problemen willen aanpakken, dien je meer te kunnen doen dan het leveren van losse vragen. Het publiek - burgers, maatschappelijke organisaties - zal voluit als gelijkwaardige gesprekspartner mee moeten kunnen praten over wat echt zinvolle thema’s zijn, waar onderzoek naar nodig is. Dat gesprek houdt niet op als het onderzoek gestart is. Ook tijdens het onderzoek dienen de partijen te blijven meedenken om zo nodig onderzoeksvragen bij te stellen. Zorg ook dat wetenschappers kunnen samenwerken met niet-kapitaalkrachtige partijen buiten de universiteit, want dit is in het huidige systeem heel moeilijk. Aan onderzoeksprojecten zou je een ‘klankbordgroep’ kunnen toevoegen, waarin maatschappelijke organisaties zitten.

De wetenschapswinkels verdienen eerherstel en een grondige renovatie. Wetenschappers zouden maatschappelijke stages kunnen lopen. En laat elke wetenschapper minstens eenmaal per maand een publiekslezing of een publieksdebat houden - en niet in zijn of haar vrije tijd, want het is werk. Dan maken we de inzichten van wetenschap bespreekbaar voor niet-wetenschappers die kritische vragen kunnen stellen. Zo komen we eindelijk van die blackbox af, en van dat eenrichtingsverkeer van wetenschap naar samenleving. En komen we misschien ook van dat plastic afval af. 

Martijntje Smits (1966), is wetenschapsfilosoof en ingenieur, verbonden aan de universiteiten van Bergen (Noorwegen) en Utrecht.

Lees ook:

Het is mei 1968: Op naar Parijs, waar het allemaal gebeurde

Waarom in Leiden de brave student uithangen als in Parijs de opstand van mei 1968 om zich heen grijpt? Roel Janssen, Koos Plantenga en Jaap Morel blikken terug op die roerige meidagen in de Franse hoofdstad.

Zeggen wat je wilt: kan dat nog aan de universiteit?

De universiteit, daar mag je álle vragen stellen. Of toch niet? 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden