Column Rob Schouten

Fietsend door Amsterdam mag ik aan Soembawa denken

Ik hoorde in het nieuws dat de fiets na tweehonderd jaar bezig is met een groei­spurt. Die tweehonderd jaar lijken me wat overdreven. De ontwikkeling van de ­onhandige loopfiets (‘het paard van hout’) uit het begin van de negentiende eeuw naar trapfiets aan het eind van diezelfde eeuw lijkt me ook een hele stap. Het is waar, de fiets waarop ik het zestig jaar geleden leerde, een kindermodel uit de Magneetfabriek, lijkt nog sprekend op mijn huidige fiets. Maar om mij heen groeien tegenwoordig overal nieuwe fietsen en fietsculturen: e-bikes, ov-fietsen, huurfietsen, fietsen vol elektronica en computersnufjes.

Onlangs werd in mijn straat een fiets van vierduizend euro van een buurvrouw gestolen, een wake-upcall. We schrokken er allemaal erg van, meer van de prijs dan van de diefstal: de fiets, dat symbool van anonieme onschuld, zo hoog gestegen op de ladder der hebbedingen!

Het heet dat wij Nederlanders een fietsvolk bij uitstek zijn, wat natuurlijk ook weer bijdraagt aan de relatieve naamloosheid der fiets. We zijn immers ook bij uitstek het land der Nederlanders, waarvan het overgrote deel anoniem. Het woord fiets waarvan niemand weet waar het vandaan komt (verbasterde ­velocipede? De Wageningse smid Viets? Vitesse?) rijmt dan ook op ‘iets’ en op ‘niets’. Op niks groots kortom.

Inmiddels rijd ik op de oude fiets van mijn moeder

Even terug naar die loopfiets, waarvan ik me verbeeld dat ik er voor het eerst iets over las in de ‘Camera Obscura’ van Hildebrand; het schijnt dat het ding uitgevonden is na de vulkaanuitbarsting van de Tambora op het Nederlands-Indische eiland Soembawa in 1815. Door die uitbarsting verpieterde de zomer van 1816 wereldwijd zodanig dat er geen voedsel was voor de trek- en lastdieren waardoor er ­behoefte ontstond aan een nieuw vervoermiddel. Ik ben dol op zulke verbanden die ons ­leren dat alles samenhangt, waardoor ik door Amsterdam fietsend aan Soembawa mag ­denken.

Natuurlijk levert het maken van een fiets ook een beetje stikstof op, maar het is toch een relatief maagdelijk ding, het stoot niks uit, wat het natuurlijk uiterst sympathiek maakt. Ik probeer er weleens achter te komen hoeveel fietsen ik in mijn leven heb versleten, maar in tegenstelling tot het wagenpark dat ik heb verreden, kom ik er niet achter, daar was de aanschaf van een een nieuwe fiets toch te gewoon voor. Het waren trouwens ook meestal tweedehandsfietsen die ik kocht.

Inmiddels rijd ik op de oude fiets van mijn moeder die het fietsen jaren geleden heeft ­opgegeven, een te kleine Gazelle met twee handremmen die het niet goed doen, dat wil zeggen de ene komt niet meer los als ik ’m aantrek (wat ik dus liever niet doe) en de ­ander schiet geregeld met palletje en al uit het frame. Maar ik ben te lamlendig om het kwaad definitief te laten verhelpen, laat staan een nieuwe, computergestuurde fiets met gsm-houder te kopen. Voor mij geen groeispurt dus, ik laat alles bij het oude en u ziet mij dan ook geregeld over straat lopen met de naar niets en niemand genoemde fiets, alsof de Tambora speciaal voor mij nog steeds haar ­allesontregelende vuur uitbraakt.

Eerdere columns van Rob Schouten leest u hier

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden