Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Ethicus Ingrid Robeyns roept de noodtoestand uit voor het klimaat: ‘Laat de rijken de klimaatcrisis betalen’

Opinie

Ingrid Robeyns

© Getty Images
Essay

In 2030 mag ieder van ons niet meer dan 2,5 ton emissie veroorzaken, willen we de klimaatdoelen halen. Wie dagelijks een beetje vlees eet gaat daar ruim overheen. Maar groter dan de uitdaging voor u en mij, schrijft ethicus Ingrid Robeyns, is die voor de superrijken. Die zitten op ruim 300 ton per persoon per jaar. Zijn grote rijkdom en klimaatethiek te verzoenen?

Klimaatverandering stelt ons voor een verdelingsprobleem. Sommige groepen ondervinden er meer schade door dan andere. En wie gaat betalen voor de kosten om de netto uitstoot van broeikasgassen te verminderen en om maatregelen te nemen om ons te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering?

Lees verder na de advertentie

Er zijn sterke argumenten om een groot deel van de rekening bij de rijksten neer te leggen. Hun rijkdom is vaak ontstaan door marktprocessen waarin geen rekening wordt gehouden met klimaatschade, waardoor een deel van de winst vervuiling reflecteert - die op de hele wereld is afgewenteld. Bovendien bevinden we ons in een noodsituatie, en dan mogen we van de sterkste schouders vragen dat zij de zwaarste lasten dragen.

De atmosfeer kan nauwelijks nog broeikasgassen opnemen zonder dat dit schadelijke effecten heeft voor mens, dier en ecosystemen. Wat is ons eerlijke deel dat we nog aan broeikasgassen mogen uitstoten?

De morele opdracht van kli­maat­ver­an­de­ring raakt ons allemaal

Eerlijk deel

Er is binnen de klimaatethiek een debat over hoe we precies moeten bepalen wat ons eerlijke deel van de resterende uitstoot is. Het is lastig, maar in alle analyses ligt dat faire deel veel lager dan onze huidige uitstoot per capita. Lucas Chancel en Thomas Piketty berekenden dat een hoofdelijke verdeling van de resterende emissies die het Parijsakkoord nog toelaat uitkomt op 1,3 ton CO2 per persoon per jaar tot 2100. Momenteel ligt de uitstoot per persoon in West-Europese landen boven de 10 ton.

Op deze schattingen is kritiek. Zo is het logisch dat het faire deel nu hoger moet zijn en later dan wat lager, omdat we later hopelijk verder zijn met technologische innovaties. Het onderzoeksrapport 1.5 Degree Lifestyles van het Institute for Global Environmental Strategies stelt dat we tussen 2019 en 2030 elk jaar onze persoonlijke uitstoot met zo’n 10 procent moeten verminderen, zodat we in 2030 niet meer dan 2,5 ton uitstoten, en 0,7 ton tegen 2050. Er zijn dus verschillende scenario’s mogelijk over wat ons resterende faire deel van de uitstoot nog is. Maar de kern van de zaak is dat dat deel voor vrijwel iedereen in Nederland en andere rijke landen veel lager is dan onze huidige uitstoot.

De morele opdracht van klimaatverandering raakt ons allemaal. En hoe ernstig die is, kunnen we zien door de vraag te stellen wat we kunnen doen met dit faire emissiebudget, gegeven de huidige staat van de technologie en de dominante manier van produceren.

Neem voedsel. Schattingen voor het Verenigd Koninkrijk stelden dat een veganistisch dieet zo’n ton emissie vergt per persoon per jaar. Voor een vegetarisch dieet is dit 1,4 ton, en wie gemiddeld 100 gram vlees per dag eet, komt uit bij 2,6 ton. Dan hebben we nog de emissies van autoverkeer, het verwarmen van ons huis, de aankoop van spullen, en alle andere zaken die deel uitmaken van ons consumptiepatroon. Een lange intercontinentale vlucht veroorzaakt meer dan 2 ton emissie per persoon (afhankelijk van het type vliegtuig, of er tussenstops gemaakt worden, en welke effecten je precies meerekent).

Deze cijfers zijn behoorlijk ontnuchterend, omdat ze de grootte van de opdracht die voor ons ligt, pijnlijk helder maken.

Drie typen consumptie

Een voor de hand liggende vraag is of het niet mogelijk is via technologische verandering dezelfde levensstijl te behouden, maar op een broeikasgasarme of broeikasgasvrije manier, bijvoorbeeld door de energietransitie te versnellen. Om die vraag te beantwoorden, helpt het een onderscheid te maken tussen drie typen consumptie.

De eerste categorie bestaat uit consumptievormen waarbij we dezelfde consumptie kunnen genieten op een emissieloze of emissie-arme manier. Denk aan de overgang van fossiele brandstoffen naar zonne- of windenergie, of het vervangen van onze brandstofauto door een elektrische auto.

Rijkdom vormt een probleem voor het milieu, omdat rijken veel te veel broeikasgassen uitstoten

De tweede categorie betreft consumptie die je kunt vervangen door klimaatvriendelijkere alternatieven, maar die wel een aanpassing van onze voorkeuren vergen. Neem de overgang van voeding gebaseerd op vlees naar vleesarme, vegetarische of veganistische voeding. Dit gaat voor veel mensen niet zonder slag of stoot, maar is wel mogelijk als deze gedragsverandering ondersteund wordt, bijvoorbeeld door in bedrijf of organisatie klimaatvriendelijke maaltijden als standaardoptie aan te bieden.

De grootste uitdaging ligt bij het derde type consumptie, waar we vooralsnog geen goed klimaatvriendelijk substituut voor hebben. Hét voorbeeld is vliegen. Ervan uitgaande dat de berichten van ingenieurs kloppen dat er voor het einde van deze eeuw nog geen uitzicht is op klimaatvriendelijke vliegtuigen die intercontinentale afstanden kunnen overbruggen, betekent dit dat voor vliegen geen klimaatvriendelijk substituut bestaat. Op korte afstanden moet geïnvesteerd worden in een beter internationaal spoorwegnet, maar momenteel is langeafstandreizen per trein vaak geen aantrekkelijk alternatief, en naar de meeste andere continenten onmogelijk.

© Getty Images

De conclusie is dat zonder zware inzet van technologische strategieën om broeikasgassen te onttrekken aan de atmosfeer, mensen in welvarende landen zeer snel radicaal moeten overgaan op een emissiearme levensstijl. Grote vraag is: zijn we daartoe bereid?

Rijken stoten meer uit

Het bovenstaande is moeilijk te verteren voor ieder van ons. Maar voor rijken is de noodzaak om hun uitstoot te verminderen nog veel groter. Volgens Chancel en Piketty stoten de 1 procent rijkste mensen meer dan 300 ton broeikasgassen per jaar uit. Rijkdom vormt een probleem voor het milieu, omdat rijken veel te veel broeikasgassen uitstoten. Vanuit een morele analyse moeten zij, net als iedereen, hun emissies verlagen tot aan hun faire deel, en dat is een formidabele uitdaging gegeven hun huidige levensstijl.

Voor de rijken heeft klimaatverandering nog meer ethische gevolgen dan de morele plicht de uitstoot verminderen. De industrie weet al jaren dat het gebruik van fossiele brandstoffen leidt tot klimaatverandering, met alle negatieve effecten. Veel grote spelers binnen deze multinationals hebben hun persoonlijke fortuinen te danken aan ondernemersactiviteiten die de aarde fiks beschadigen en bijdragen aan destabilisatie van het klimaat.

Wat is de gepaste reactie hierop? Mij lijkt dit heel eenvoudig: deze industrieën moeten compensatie betalen voor de schade die ze aan de leefomgeving van mens en dier hebben toegebracht - in elk geval voor de schade die aangericht is sinds het verband tussen de uitstoot van broeikasgassen en de verandering van het klimaat aangetoond en bekend is.

Ethische relatie

Dat zo’n schadevergoeding de waarde van het aandeel van die bedrijven misschien laat kelderen, is niet het probleem van onze kinderen en kleinkinderen of het probleem van de inwoners van Kiribati, een eilandengroep in het Stille Oceaangebied waar 100.000 mensen wonen en dat de komende jaren onder de zeespiegel verdwijnt. Zij hebben recht op een leefbare aarde; de mensen die de aarde beschadigen, hebben die schade maar te compenseren.

Na de Tweede Wereldoorlog kenden de Verenigde Staten be­las­ting­ta­rie­ven tot rond de 90 procent

Uiteraard hebben niet alle rijken bijgedragen aan het beschadigen van de aarde, maar het omgekeerde is wel het geval: velen die de aarde beschadigd hebben, of die veel meer genomen hebben van de hulpbronnen die de aarde ons biedt, maken deel uit van de club van rijken en superrijken, en hebben vaak hun fortuin te danken aan processen die ecologische schade veroorzaken. Het is dus niet meer dan fair dat ze de rest van de mensheid daarvoor compenseren door grote bijdragen te leveren aan de mondiale fondsen voor klimaatmitigatie en klimaatadaptatie.

Er is nog een ethische relatie tussen klimaatethiek en extreme rijkdom. In een noodsituatie is het gerechtvaardigd om te vragen dat de sterkste schouders het meest bijdragen om de situatie te beteugelen.

Wat klimaat aangaat, zitten we nu in een noodsituatie. We hebben niet alleen een goed doordachte CO2-belasting nodig, maar dienen ook massaal te investeren in de energietransitie, in het isoleren van woningen, in technologische innovatie die broeikasgassen uit de atmosfeer kan verwijderen. Voor dat klimaatbeleid is niet alleen politieke durf en leiderschap nodig, maar ook geld voor de noodzake- lijke investeringen. Omdat extreem rijken prima een groot gedeelte van hun geld kunnen missen zonder dat dit hun levensstandaard schaadt, en omdat we te maken hebben met een noodsituatie, lijkt het me redelijk de extreem rijken te vragen om een grotere bijdrage.

De sterkste schouders

Na de Tweede Wereldoorlog kenden de Verenigde Staten belastingtarieven tot rond de 90 procent. Daarvan kunnen we leren dat we als burgers het collectieve vóór het individuele belang kunnen zetten, wanneer grote transformaties en maatschappelijke investeringen nodig zijn.

De transitie die nodig is om klimaatverandering af te remmen en ons voor te bereiden op de gevolgen van de verandering die al niet meer te vermijden is, vergt niet alleen eendracht. Het vergt ook dat de sterkste schouders erkennen dat ze veel beter in staat zijn om aan die transitie bij te dragen, maar ook dat ze historisch gezien een groter aandeel hebben gehad in de ontstane situatie.

Is het politiek haalbaar, zo’n zwaardere belasting van de rijksten? En is dit überhaupt denkbaar, wetend dat kapitaal internationaal zo mobiel is?

Dit zijn begrijpelijke zorgen. Laat me er een paar kanttekeningen bij plaatsen. Om te beginnen moeten we de rol van filosofische analyse goed begrijpen: die is om ons een spiegel voor te houden en de situatie moreel te duiden, ook indien de analyse ons irriteert, en ook indien we ons machteloos voelen. Steenrijke mensen kunnen er zelf over nadenken en, net als Bill Gates, besluiten dat ze hun fortuin niet verdiend hebben en dat het beter besteed is aan klimaatinvesteringen.

Bovendien zijn we politiek gezien minder machteloos dan we denken. We kunnen wel degelijk vervuilende activiteiten voor iedereen zwaarder belasten, zodat er minder vervuild wordt, en de rijksten generiek belasten om klimaatinvesteringen en -compensatie mogelijk te maken.

Hervorming

Nederland kan zeker de belastingen op vermogen en op bedrijfswinsten verhogen, omdat die lager liggen dan in onze buurlanden. De Nederlandse wetgever kan de legale maar moreel verwerpelijke routes afsluiten van belastingontwijking voor de extreem vermogenden.

In Europa kan Nederland afspraken gaan maken over milieubelastingen die zowel rechtvaardiger als efficiënter zijn.

Op mondiaal vlak kunnen we een pleitbezorger worden van mondiale adaptatiefondsen. Daarmee kunnen landen die lijden onder de klimaatverandering bijvoorbeeld dijken aanleggen of gewassen ontwikkelen die beter tegen het nieuwe klimaat bestand zijn. Zo zijn grote overstromingen in landen als Bangladesh te voorkomen, of hongersnoden in regio’s waar de droogte oprukt.

Dit alles vergt wel dat we eerst gaan inzien dat de rijkdom van ons land gecreëerd is met aanzienlijke ecologische schade, en dat het tijd wordt die te herstellen. Laten we dit voor ogen houden in onze debatten over het klimaatbeleid en de hervorming van het belastingstelsel.

Dit essay is een bewerking van een hoofdstuk uit Ingrid Robeyns’ pamflet ‘Rijkdom. Hoeveel ongelijkheid is nog verantwoord?’

Filosoof en econoom Ingrid Robeyns (Leuven 1972) is hoogleraar ethiek van instituties aan de Universiteit Utrecht.

Lees ook:

Compenseren voor het klimaat, daar heeft de planeet niets aan

Alle goede bedoelingen ten spijt blijft de mens het milieu schaden en het klimaat veranderen. De reden, zegt de Zweedse psycholoog Patrik Sörqvist, is dat de mens niet is toegerust om met milieu en klimaat om te gaan. 

Het kan: optimistisch zijn over het klimaat

Drie nieuwe boeken over klimaatverandering zijn verschenen. Leesvoer vol zorgen? Ook wel, maar het optimisme overheerst. Het accent ligt op de vele mogelijke oplossingen.

Deel dit artikel

De morele opdracht van kli­maat­ver­an­de­ring raakt ons allemaal

Rijkdom vormt een probleem voor het milieu, omdat rijken veel te veel broeikasgassen uitstoten

Na de Tweede Wereldoorlog kenden de Verenigde Staten be­las­ting­ta­rie­ven tot rond de 90 procent