ColumnSylvain Ephimenco

Een typisch gevalletje verdringing door een communistische Jood

Kijkend naar Poetin in Jeruzalem eergisteren, moest ik aan Henri denken. Henri Geniez, mijn mentor en bijna vader in journalistiek. Ik was ook amper vijftien jaar toen ik voor het eerst als een zenuwpees voor hem stond te wiebelen en hij lachend het velletje papier uit mijn hand griste. Mijn allereerste artikel. Met aandacht wierp hij zijn beschermende oog op mijn slordigheden en zei: “D’accord, we gaan het opfrissen”.

Henri, communist in hart en nieren, was niet alleen regiochef van dagblad La Marseillaise, maar ook overlevende van de nazi-terreur. Op 29 april 1945 werd hij door de Amerikanen met nog 32.000 medegevangenen uit concentratiekamp Dachau bevrijd. Henri vertelde me al te vaak hoe zijn haar na zijn eerste nacht in Dachau helemaal wit was geworden. En ook hoeveel pijn het deed als de Duitsers eens in de maand zijn schaamhaar verbrandden om luizen te doden. Maar over zijn Joodse medegevangenen zweeg hij. Alsof Dachau alleen door communisten, verzetstrijders en politieke gevangenen bevolkt werd. Niet dat de redactiechef antisemiet was, maar voor communisten was vooral het leed van partijgenoten van belang. Bovendien waren in zijn geliefde Sovjet-Unie Joden te vaak synoniem voor dissidenten.

Donderdag hield de Russische president Poetin een rede in Jeruzalem naar aanleiding het 75-jarige jubileum van de bevrijding van concentratiekamp Auschwitz. Hij vertelde hoe hij geschokt de rapporten las van de soldaten van het Rode Leger die Auschwitz bevrijdden. Het is voor Poetin zoals voor vele (oud-) communisten comfortabeler om deze episode te memoren dan in Israël over de Russische pogroms of het niet-aanvalsverdrag tussen nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie te reppen. Hoewel Poetin al jaren zijn best doet om de Joden in Rusland weer een eigen plek te geven. Berel Lazar, de grote rabbijn van Rusland, zei deze week dat Poetin hem vertelde dat Joden zich voortaan weer thuis moesten voelen in dat land: “Mensen huilden en dachten getuige te zijn van een wonder”.

Ook in ‘Nuit et Brouillard’ over de nazi-kampen vermeed Jean Ferrat het woord Jood 

Dat maakte de immens populair Franse zanger Jean Ferrat (1930-2010) maar deels mee. Ferrat, die ooit ‘La Montagne’ componeerde dat in het Nederlands ‘Het dorp’ werd, was een geharde communistische artiest die ook de heroïek van Cuba en de Sovjet-Unie (‘Potemkine’) ruimschoots had bezongen.

Hoewel zijn vader in Auschwitz was vermoord en zijn echte naam Jean Tenenbaum was, liep Ferrat de communist met een grote bocht om zijn Joodse identiteit heen. Over zijn vader zong hij spaarzaam: “Het beeld van een verdwenen vader/ die omkwam tijdens de oorlog”. En ook in zijn prachtige lied ‘Nuit et Brouillard’ over de nazi-kampen, vermeed hij het woord Jood en maakte hij liever een (magistrale) schets van het universele leed van gedeporteerden: “Ze heetten Jean-Pierre, Natasja of Samuel/ sommigen baden tot Jezus, Jehovah of Vishnoe”.

Sommigen zien vandaag hierin een traditionele vorm van verdringing door een communistische Jood.

Drie keer per week werpt columnist Sylvain Ephimenco zijn blik op de actualiteit. Lees zijn columns hier terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden