EssayFalen

‘Durf te falen’ is modieuze flauwekul

Het is in de mode: durven falen. Filosoof Coen Simon wantrouwt die trend. Wat is er mis met presteren?

De goden hadden Sisyfus veroordeeld tot het voortdurend omhoog duwen van een rotsblok naar de top van een berg, waarvandaan het dan vanzelf weer naar beneden rolde. Ze hadden, niet zonder reden, bedacht dat er geen vreselijker straf bestaat, dan een nutteloze en hopeloze arbeid.

Zo begint de ‘Mythe van Sisyfus’ (1942) in de hervertelling van Albert Camus, in de gelijk­namige essaybundel die vooral beroemd werd vanwege de openingszin: “Er bestaat maar één werkelijk ernstig filosofisch probleem: de zelfmoord.”

Deze kwestie, en eigenlijk de hele bundel van Camus, is laten we zeggen een profane variant van de theodicee. De vraag is niet meer waarom Gód zo wreed kan zijn als hij almachtig en goed is, maar waarom wij zouden lijden als het leven geen zin heeft? Kortom, waarom ben ik zo wreed te willen leven?

De zwoegende strijd naar de top

Als we ons Sisyfus voorstellen, zien we volgens Camus “hoe een gespannen lichaam zich inspant om een steen op te lichten, hem naar boven te wentelen en er steeds weer opnieuw een helling mee te beklimmen”. En als je Sisyfus googelt op ‘afbeeldingen’ is dat ook het enige beeld dat je ziet, de zware weg omhoog. Maar Camus richt zich liever op een ander moment uit de mythe, namelijk ‘de terugweg’, wanneer Sisyfus even boven zijn noodlot uitstijgt. “Hij is sterker dan zijn rots.” De hervertelling loopt dan ook goed af: “De strijd op zichzelf tegen de top is voldoende om het hart van een mens te vervullen. We moeten ons Sisyfus als een gelukkig mens voorstelllen.”

Het lijden van de moderne mens, de zwoegende strijd naar de top, mag dan nutteloos en hopeloos zijn, we ervaren deze niet per se als zinloos. De strijd hoort erbij, beseffen we contemplerend op ons wandelingetje naar beneden. Sisyfus’ lijden, helemaal door god verlaten, “maakt van het noodlot een menselijke aangelegenheid, die onder mensen geregeld moet worden”.

Camus noemde deze denk- en levenshouding een filosofie van het absurde: het zonder hoop toch instemmen met je toevallige lot. Ik vind het heel mooi, maar breng zijn nihilisme maar eens in de praktijk. Nog steeds melden zich jaarlijks meer mensen bij de therapeut met hun strijd naar de top. Het eigen persoonlijk leed voor zich uit duwend. En nooit helemaal zeker of hun lijden zin heeft.

Want misschien lijdt de mens niet het meest aan het lijden dat hij vreest, maar vooral aan de vraag of zijn lijden zinvol is geweest?

We zoeken houvast in het brein, of in de sociale wetenschap

We mogen dan net als Sisyfus soms een ­beschouwend momentje hebben als we ons ­eigen keizware lot even los kunnen laten, maar het hoort precies ook tot deze noodlottige menselijke conditie dat we niet écht boven onszelf kunnen uitstijgen. We zullen daarom nooit daadwerkelijk iets objectiefs over ons persoonlijke binnenwereld kunnen concluderen. Hoe mooi Camus ‘de menselijke aangelegenheid’ ook weet te brengen, de grote vraag blijft zeuren: is mijn lijden zinvol?

In een poging te ontkomen aan de absurde tragiek doen we toch een beroep op een objectief wetenschappelijk antwoord op onze lijdensvraag. In de eerste plaats zoeken we dat antwoord bij de breinwetenschappen. Maar al kunnen we onze stemmingen vrij precies traceren in het limbische deel van het brein en ook al weten we welke endorfinen in welke verhouding die stemmingen versterken, het zegt nog steeds niets over het waarom van ons lijden, want dat komt ook altijd van buiten. En die buitenwereld is als eindeloze oncontroleerbare ruimte niet erg geschikt voor objectief wetenschappelijk uitspraken. En de onherhaalbaarheid van een mensenleven, maakt het sowieso tot een heel onwetenschappelijk experiment. De meting van ons individuele geluk wordt nooit groter dan n = 1. En dat is, weten we allemaal, geen representatieve meting.

En daarom proberen we via de sociale ­wetenschap grip te krijgen op de zin van ons lijden. We vragen heel grote groepen hoe ze zich voelen en krijgen zo wel representatieve en harde cijfers. En dan zou blijken dat het in Nederland met dat geluk wel goed zit. Volgens het CBS voelt slechts 3 procent zich ongelukkig, en geeft de gemiddelde Nederlander zichzelf een gelukscore van 7,4 op een schaal van 10. Volgens het World Happiness Report 2017 was Nederland zelfs het op 5 na gelukkigste land ter wereld. Dat desondanks volgens het CBS 43 procent van de Nederlanders zich eenzaam voelt, en een kwart daarvan zeer eenzaam, lijkt voor onderzoekers, beleidsmakers en zelfs voor geestelijke gezondsheidszorg geen reden om aan de hardheid van deze feiten te twijfelen.

Gelukzalige suïcide

In plaats van vraagtekens te zetten bij het grootschalige gegoochel met cijfers, zijn de uitkomsten voortdurend het kritiekloze vertrekpunt voor debatten over de stand van onze geestelijke gezondheid. Zo ook tijdens het evenement van The School of Life op 18 december in Amsterdam, waar de Vlaamse psychiaters Damiaan Denys en Dirk De Wachter en de psychoanalyticus Paul Verhaeghe voor een tweeduizendkoppig publiek de paradox bespraken dat bij de toename van het geluk tegelijkertijd de zorgvraag groeit.

Denys zei het zo: “Waarom plegen wij in het Westen allemaal zo gelukzalig suïcide?” – en hij wist het antwoord: we leven in een complexe wereld, waarin desondanks geen plek is voor falen, alleen in de vorm van een ziekte. En zo is ‘psychiatrie een functie geworden in ons systeem’.

Dirk De Wachter beaamt dat in ‘De kunst van het ongelukkig zijn’ (2019): “Je bent niet ziek als je ongelukkig bent. Ongelukkig zijn maakt deel uit van het leven, en ermee omgaan is wezenlijk, ik zou zelfs zeggen levensbelangrijk. Maar dat gebeurt te weinig. Verdriet wordt gepsychiatriseerd, en men komt massaal naar mijn collega’s en mezelf.”

Dat is ‘dé ziekte van deze tijd’: te veel ‘leukigheid’ van het leven. “En als we niet krijgen wat we verwachten zijn we teleur­gesteld. Met tegenslag kunnen we moeilijk omgaan, we worden er ongelukkig van. Gelukkig willen we zijn. En een beetje gelukkig is niet genoeg.”

Behalve wat verwachtingsmanagement vraagt dit volgens De Wachter een nieuwe ‘kunst van het leven’: “Accepteren dat lastigheden en tekorten bij het leven horen, en ze delen met anderen. Als je dat doet, zal verdriet, groot en klein, draaglijker worden.”

Hoewel dat klinkt als Camus’ Sisyfus, vraag ik me af of we deze moderne Sisyfus nog als een ‘gelukkig mens’ mogen voorstellen. De samenleving is ziek, volgens De Wachter, en mensen lijden niet echt.

Daar zit je dan met je lijden. Je leeft niet goed, het kan beter en er is een kunst voor, die je blijkbaar in de vingers kunt krijgen, maar wat jou in elk geval nog niet is gelukt.

Coen Simon (1972) is filosoof en essayist.Beeld Maartje Geels

Met ‘je mag falen’ krijgt de patiënt tóch de schuld

In ‘Over normaliteit en andere afwijkingen’ (2019) waarschuwt Paul Verhaeghe gelukkig wel voor de levenskunst van ‘goed­bedoelende psychiaters’ als De Wachter en Denys, die “verkondigen dat mensen veel te hard werken en veel te veel willen, dat gewoon goed goed genoeg is, dat mensen moeten leren tevreden te zijn met minder, dat de stortvloed aan stoornissen, klachten en pijntjes een gevolg is van hun onrealistische verwachtingen. Wat deze hulpverleners niet beseffen, is dat ze daarmee opnieuw de oorzaak en dus de schuld bij de patiënt leggen. Ja, je hebt een burn-out, maar moest je nu écht zo hard werken? Ja, je lijdt aan een depressie, maar je voelt je vooral mislukt omdat je altijd en overal succes wilde hebben.”

De moderne mythe van Sisyfus is een ongelukzalige levenskunst. In plaats van dat we van het noodlot een menselijke aangelegenheid maken, maken we van het menselijke een noodlottige aangelegenheid. De lijdensvraag wordt beantwoord met een wenteling in het ongeluk. “Misschien is het een goed idee”, aldus filosofe Stine Jensen, “om in faalangstige tijden onszelf eens per week een faaldag te gunnen, een dag waarop alles mis mag gaan, je daar zelfs naar streeft en het falen warm omarmt. Opdat wij ons oefenen in faalmoed.”

Het is een trend, de kunst van het on­gelukkig zijn, van de imperfectie, van het ­falen, en zelfs van het zelfverwoesten.

Volgens Marian Donner is ‘depressie wereldwijd volksziekte nummer één’ omdat ons maatschappelijk systeem perfectie nastreeft. Met haar ‘Zelfverwoestingsboek’ (2019) wil ze dit systeem ondermijnen door te ‘stinken, drinken, bloeden, branden en dan­sen’. Dat klinkt vrijgevochten, maar de benodigde roes is een product van onze samenleving en geen ondermijning ervan.

Al is Donner net als Verhaeghe kritisch over goedbedoelende psychiaters die te veel verantwoordelijkheid leggen bij het individu dat er niet in slaagt aan de hoge eisen van de prestatiesamenleving te voldoen, haar zelfverwoestingsaanpak is uiteindelijk de voortzetting van de prestatiesamenleving met andere middelen. Dat geldt ook voor de wereldwijde faalfestivals en FuckUp Nights, waar je ofwel van de fouten van anderen leert je nog beter aan te passen aan de prestatiedruk, ofwel waardering oogst voor de uitzonderlijkheid en de eerlijkheid van je toegegeven mislukking, met navenante credits en likes. 

Faalmoedige levenskunst

Onder het mom van nederigheid (het leven is niet maakbaar) en maatschappij­kritiek (we laten ons gebruiken door een economisch systeem) wordt in deze faalmoedige levenskunst het niet halen van een maatschappelijke norm het hoogst haalbare. En zo blijft deze levenskunst niet alleen afhankelijk van de prestatiedruk waartegen ze zich keert, ze houdt de prestatiesamen­leving op dialectische wijze juist in stand. Want kan de prestatiedruk, de schoonheids- en gezondheidsideologie niet ook op een andere wijze worden weerstaan dan het falen tot ideaal te verheffen?

“De schoonheid ligt in de mislukking”, schrijft Donner. “In de onvolkomenheid van elke poging en van elk resultaat. Dat is wat de mens een mens maakt: falen.” Mijn kinderen zien me er al mee aankomen. Ze zullen het ook als weinig liefdevol ervaren, als ik hun pogingen iets te perfectioneren wat ze met moeite onder de knie krijgen (vioolspelen, judoën, rekenen, lezen, ja zelfs hun uiterlijk) vooral apprecieer in hun missers. En voeden we feilbare burgers op die niet meer ontvankelijk zijn voor kritiek.

De vraag is zelfs of die prestatiesamen­leving eigenlijk wel bestaat? Want hoe verklaart de prestatiedruk het toenemende gebrek aan concentratie en aandacht? Hebben we niet veeleer last van een zingevingsfailliet? Een autoriteitscrisis, waardoor we niet meer weten wat we waardevol moeten vinden? We laten ons niet opjagen door de hooggespannen verwachtingen van influencers, maar omdat we niet weten of we de juiste influencers volgen.

Er bestaat beslist sociale druk onder jongeren en volwassenen, maar als we kijken wat veel volgers oplevert is dat zeker niet in de eerste plaats prestatie, maar status (die zelden door prestaties wordt verworven). Sterker nog: presteren in de letterlijke zin van het woord zou zelfs een uitweg kunnen zijn uit de sociale druk die ons door onze gezagsloze statussamenleving wordt opgelegd. Je met aandacht toeleggen op dans, muziek, een sport, of welke serieuze hobby dan ook, maakt dat je tot een prestatie in staat bent die jouw leven richting geeft. Iets in de vingers krijgen, al is het met aandacht en precisie een kei een berg oprollen, maakt een einde aan zinledigheid. En ook aan de vraag of het lijden zin heeft.

Dat de faaltrend op deze wijze onbedoeld verfijning en ambitie – de motor van iedere cultuur – suspect maakt, is zorgwekkend. Maar de grootste zorg die we moeten hebben als falen het nieuwe presteren wordt, is dat we blind worden voor het echte lijden van hen die niet in omstandigheden zijn om te falen, omdat ze er dan letterlijk aan onderdoor zouden gaan.

Want een pleidooi voor falen en zelf­verwoesting is niet alleen koket in de ogen van hen die maatschappelijk aan het kortste eind trekken, het ontneemt ze bovendien van een taal waarin ze om hulp kunnen roepen. Wie ‘help’ roept krijgt misschien volgers en likes, maar geen mededogen. 

Coen Simon (1972) is filosoof en essayist. Hij schreef diverse boeken, waaronder ‘Oordeel zelf. Waarom niemand hetzelfde wil en iedereen hetzelfde doet’ (2017). Hij publiceert met enige regelmaat in Letter&Geest.  

Lees ook:

Schaam je! (daar hoef je je niet voor te schamen)

Coen Simon bekritiseert de ‘durf-te-falen'tendens. Hij breekt wel een lans voor schaamte - een prima morele antenne.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden