Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De volledige tekst van de Anton de Kom-lezing, door Ad van Liempt

Opinie

Auteur en programmamaker Ad van Liempt ontvangt in Studio De Plantage de Ere Nipkowschijf. Hij ontving de trofee voor heel zijn televisie-oeuvre. Van Liempt introduceerde geschiedenis op televisie met NPS-series als Andere Tijden en De Oorlog © anp
Opinie

Vanavond zal Ad van Liempt (1949) - vooral bekendheid als eindredacteur van Andere Tijden en als chef geschiedenis van de NPS -de Anton de Kom-lezing verzorgen. Dit is mede naar aanleiding van het 70-jarig jubileum van Trouw. Het thema van de avond: "Onafhankelijke media, onder en boven de grond".

Zeer geachte aanwezigen,

Tot de grootste misdaden die de Duitse bezetter in de tweede wereldoorlog in Nederland heeft gepleegd reken ik, bij nader inzien, het leeghalen van het kamp Vught, op 5 en 6 september 1944. Die eerste dag, 5 september dus, heerste er totale chaos in zuid-Nederland: iedereen, ook de Duitsers waren ervan overtuigd dat de geallieerden ieder moment het hele land konden veroveren - minister Gerbrandy had de vorige dag de bevrijders al hartelijk welkom in Nederland geheten.

Dolle Dinsdag
Chaos was troef, overal, later zouden we die dag 'Dolle Dinsdag' gaan noemen, maar toch besloot de SS om vrijwel alle ingezetenen van haar eigen concentratiekamp Vught in goederentreinen te laden en dwars door het verwarde land naar Duitsland te vervoeren. Het waren er ongeveer 3400 - de eerste dag 2200 mannen, de tweede dag 600 mannen en 600 vrouwen. Zij gingen een meer dan rampzalige periode tegemoet, ze zouden in kampen komen waar de voedselvoorziening en de hygienische omstandigheden het nulpunt gingen naderen - ze kwamen in de hel terecht.

De vraag dringt zich op waarom de bezetter zoveel moeite deed om te voorkomen dat de gevangenen van kamp Vught in handen van de geallieerden zouden vallen. Het antwoord moet wel bijna zijn dat het Duitse rijk, waarvan de ineenstorting langzaam naderde, met grote hardnekkigheid probeerde zoveel mogelijk arbeidskrachten naar de Duitse industriecentra te brengen. Een wanhoopsactie dus eigenlijk. Veel van de gevangenen die naar Sachsenhausen werden overgebracht, moesten vrijwel direct door naar de Heinkel Fabrieken om daar mee te helpen in de vliegtuigbouw. Kennelijk schatte de Duitse minister van bewapening Speer het rendement van die arbeidskrachten hoger in dan de kosten van huisvesting en voeding - en daar had hij vermoedelijk nog gelijk in ook, althans bij het niveau van verzorging dat Duitsland voor deze nieuwe ingezetenen beschikbaar had.

Extreme misdaad
Dat ik dat massale gevangenentransport van 3400 mensen tegenwoordig als een misdaad van extreme proporties beschouw heeft er vast ook mee te maken dat ik in betrekkelijk korte tijd zoveel verhalen ben tegengekomen van mensen voor wie de reis naar Sachsenhausen, en voor de vrouwen naar Ravensbrück, de reis naar de dood betekende. Een opsomming:

Een paar jaar geleden probeerde ik voor een boekje een soort biografische schets te maken van mevrouw Helena Kuipers-Rietberg, tante Riek, de moeder van de onderduikers, de grondlegger van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers. Een christelijk bewogen vrouw uit Winterswijk die alles opzij zette om onderduikers te helpen. Ze werd verraden in Bennekom, kwam in Vught terecht en zat in het massatransport van september. Aan het eind van 1944 overleed ze in Ravensbrück, ze was, ondanks ziekte en totale uitputting, haar barakgenoten tot het eind toe tot steun geweest.

In het najaar komt er een boek uit over een Haagse politieman, Henk Kompagne. Het is geschreven door zijn twee jaar geleden overleden neef Jan Kompagnie, vooraanstaand archivaris bij het Nationaal Archief. Hij heeft jaren gespeurd naar gegevens over zijn oom, van wie niemand in de familie wist waarom hij de oorlog niet had overleefd. Kompagnie kwam erachter dat zijn oom Henk, vader van zes kinderen, gedurende korte tijd, ongeveer een week, een onderduiker had gehuisvest. Toen dat door een meer dan stom toeval uitkwam, werd hij daar als politieman zwaar voor gestraft. Hij moest naar Vught, in de zomer van 1944, en was daardoor ook gedoemd om in het transport van september te belanden. Uit de Heinkelfabriek kwam hij uiteindelijk in Neuengamme terecht, en de ontberingen in dat kamp sloopten hem. Zes kinderen verloren hun vader, omdat hij een weekje een onderduiker had willen helpen.

Kees Luijters
Bij de voorbereiding van de laatste 4 mei-lezing kwam ik nog zo'n ongelukkige tegen: Kees Luijters, die in 1944 61 jaar oud was. Hij liep door de Utrechtse Nobelstraat en spuugde zijn pruimtabak uit. Er kwam een straaltje op een winkelruit terecht. De winkel was van een NSB'er die al eerder over opzettelijke vervuiling had geklaagd en een politieagent zo gek had gekregen bij de winkel te posten. Die sloeg onverbiddelijk toe, Kees Luijters werd aan de Sicherheitsdienst overgeleverd, die hem in Vught liet opsluiten. En ook Kees Luijters zat, of liever stond, begin september in de goederentrein naar Sachsenhausen, twee dagen en twee nachten. Hij leefde nog een maand of acht, zijn dood werd gemeld uit Bergen Belsen, eind mei 1945, vlektyfus, zoals tienduizenden anderen in dat vervloekte oord.

En nu las ik, voor deze gelegenheid, de biografie van Anton de Kom, de Surinamer naar wie deze lezing is vernoemd. Hij heeft verzetswerk gedaan, in Den Haag. Volgens de regelen der kunst, want er is zo goed als niets over zijn activiteiten bekend, zelfs zijn vrouw wist nergens van. Vrijwel zeker schreef hij, anoniem natuurlijk, stukken voor het verzetsblad De Vonk, dat werd uitgegeven in communistische verzetskringen.

De Kom
De Kom, die droomde van en ijverde voor een vrij en onafhankelijk Suriname, was al voor de oorlog intensief in de gaten gehouden door de Nederlandse geheime dienst, verdacht van communistische activiteiten, maar lid van de CPH, Communistische Partij Holland, is hij nooit geweest. Hij is gearresteerd op 7 augustus 1944, hij kwam die avond niet thuis. 's Nachts werden zijn vrouw en kinderen opgeschrikt door een huiszoeking. Uit getuigenverklaringen is af te leiden dat hij in het Oranjehotel, de gevangenis in Scheveningen, is vastgezet en op 15 augustus naar Vught is overgebracht. Hij komt daar in barak IV B van het SD-Lager - wat betekent dat de SS hem als een zwaar geval aanmerkte. Hij mag geen post ontvangen. En ook hij moet begin september met de trein mee. En ook voor Anton de Kom loopt dat verkeerd af - via de Heinkelfabrieken gaat hij half oktober naar Neuengamme. Hij vindt de dood in een buitenkamp, Sandbostel, volgens mededelingen van het Rode Kruis tussen 17 en 24 april 1945.

Al die families weten van niets, in september 1944. Ze hebben geen idee waar hun geliefde op dat moment verblijft. Noch de familie van mevrouw Kuipers-Rietberg, noch van Henk Kompagne, noch van Kees Luijters. En ook niet van Anton de Kom. Wij kunnen ons dat vandaag, in onze informatiemaatschappij waarin de communicatie ons dagelijks tot in het absurde om de oren vliegt, totaal niet voorstellen. Dat je helemaal niets weet, dat je helemaal niets hoort, en dat er geen enkele manier is om daar verandering in te brengen. De nabestaanden van Anton de Kom hebben tot in 1960 de hoop gehad dat hij het verblijf in de Duitse kampen zou hebben overleefd - pas toen werd het bewijs van zijn dood geleverd.

Illegale bladen
De massale deportatie van 3400 gevangenen van het Konzentrationslager Herzogenbusch - zoals kamp Vught officieel heette - naar Duitsland was een soort staatsgeheim. In de oorlog maakten de nog verschijnende kranten, die onder Duitse censuur stonden er uiteraard geen melding van. De illegale bladen hebben geen enkele mogelijkheid om de informatie die langs allerlei kanalen wordt doorgefluisterd te verifieren. Op 6 september juicht Het Parool dat het concentratiekamp Vught is bevrijd. Op 11 september volgt in Het Parool de mededeling dat de ingezetenen "naar Sachsenhausen gebracht schijnen te zijn". Vrij Nederland meldt dat een groot deel van de gevangenen naar Duitsland is gebracht, maar, zo voegt het blad er aan toe: 'Men moet zich niet nodeloos ongerust maken.'

Trouw
En dan het verzetsblad Trouw, dat dit jaar zeventig bestaat. In september 1944 zindert het blad van de spanning rond een mogelijk naderende bevrijding van het land. We vinden een paar woorden over Vught. Het is de tweede jaargang, nummer 12, van 14 september. Het grote nieuws van dat nummer luidt: 'In Eijsden en Gulpen waait de Nederlandse vlag. De Amerikanen zijn er binnengetrokken. De bevrijding is begonnen.' Maar verderop staat, temidden van de berichten van 13 september: 'Een trein met 500 politieke gevangenen is uit Vught naar Duitsland vertrokken. Twee treinen met 1000 gevangenen zijn, naar men zegt, naar Westerbork gegaan.'

Naar men zegt - de ondergrondse pers stond vol met geruchten, had geen mogelijkheid de berichten te checken. Daar moest de familie van 3400 gevangenen van Vught het mee doen.

De nieuwsvoorziening was voor illegale bladen een onmogelijke opgave. Ik zocht in het illegale Trouw naar berichtgeving over twee van de belangrijkste gebeurtenissen in bezet Nederland van de laatste maanden van 1944. Over de massale arrestatie van mannelijke inwoners van Rotterdam, de Aktion Rosenstock, van 10 en 11 oktober kon ik helemaal niets vinden. Meer dan vijftigduizend mannen werden uit hun huizen gesleept, en naar Oost Nederland en verder gestuurd, voor de arbeidsinzet - maar de bezetter kon dat vrijwel geheel in het verborgene doen.

Anders ging het met de fameuze overval op het Huis van Bewaring in Leeuwarden, van 9 december. In een van de uitgaven van Trouw stond daarover een prachtig stuk, dat de loftrompet stak over de ingenieuze manier waarop vijftig gevangenen, onder wie talloze Todeskandidate, waren bevrijd. Er is geen druppel bloed bij gevloeid, en daardoor zagen de Duitse bezetters in dit geval af van represaillemaatregelen. Van zo'n successtory moeten de lezers van Trouw toch met groot genoegen hebben gesmuld - het moet een verzetsimpuls van betekenis zijn geweest.

Verzuild Nederland
Als in mei 1945 de illegale kranten bovengronds komen en een aantal verboden kranten weer mag verschijnen, is de nieuwsvoorziening weer vrij. Maar dat betekent niet dat Nederland direct over een landschap vol onafhankelijke media beschikt. Integendeel: de op levensbeschouwelijke grondslag gebaseerde omroepen keren terug en de kranten schieten voor het merendeel in de reflex van voor de oorlog: een sterk verzuild systeem, waarin de kranten zich opnieuw vastklinken aan politieke stromingen. De Volkskrant heeft KVP-leider Carl Romme als staatkundig hoofdredacteur, de hoofdredacteur van het Vrije Volk is op basis van zijn functie automatisch bestuurslid van de Partij van de Arbeid en Trouw-hoofdredacteur Bruins Slot zit in de Tweede Kamer voor de Antirevolutionaire Partij.

Als de politieke strijd in Nederland op een kookpunt komt door het snel escalerende conflict met de republiek Indonesië, blijkt wat verzuiling in de praktijk betekent. De journalistiek staat in dienst van de boodschap, en niet van de waarheid. Waar Het Parool en Trouw twee jaar tevoren nog schouder aan schouder streden tegen de gehate bezetter, staan ze nu in hun beoordeling van de strijd met Indonesië lijnrecht tegenover elkaar. Het Parool waarschuwt op zekere dag dat 'wapengeweld slechts tot chaos en ondergang zal leiden',  Trouw bepleit, dezelfde dag, in het hoofdartikel een snel, beslist en kordaat optreden: 'Wij vragen van de regering: gebruik de macht die Gij hebt.' Praten heeft al te lang geduurd, vindt Trouw in de zomer van 1947, kort voor de eerste politionele actie.

'Onverwijld, vastberaden en krachtig. Laat de flauwhartigen, de aarzelenden, de op een afstand geïnteresseerden voor wat ze zijn. Leunt niet op deze gebroken rietstaven. Doet uw plicht. Praat niet, aarzelt niet, maar doet wat ge doen moet.'

En Trouw staat voluit achter de soldaten die daar straks de klus moeten opknappen.

'Dat zijn geen 'huurlingen van het koloniale kapitalisme', maar dat zijn 'prachtkerels'. Dat is een leger dat vertrouwen schenkt. En bovendien: dat is een leger dat ter kerke gaat.'

Pijn aan de ogen
Het zijn teksten die de Trouw-lezer van vandaag, nog nagloeiend van trots dat zijn krant tot de beste van Europa is uitgeroepen, pijn aan de ogen en aan het hart  zullen doen. Het is dan ook verleidelijk en haast niet te vermijden om meewarig door de legger van de voormalige verzetskrant van 1947 te bladeren. Toch is ook dat geen houding die tot beter begrip leidt.

Denk aan de Britse auteur Leslie Poles Hartley, die in 1953 deze onvergetelijke zin schreef: 'The past is a foreign country, they do things differently there.'

Het is van belang voor de beschouwer van vandaag om te proberen zich in te leven in de tijdgeest van toen. Gemakkelijk is dat niet: het was de tijd waarin politieke leiders nog een vanzelfsprekend gezag hadden, waaraan de achterban niet twijfelde, maar waar juist zekerheid en vertrouwen van uitging. Dat gold ook voor KVP-leider Romme: hij deelde de beslissing om de aanval op de Republiek in te zetten in juli 1947 eenvoudig mee aan het partijbestuur, dat zonder er een woord aan te wijden overging tot de orde van de vergadering.

Geloofscrisis
In kringen van de Trouw-redactie moet er hier en daar wel twijfel zijn geweest. Ik sprak kort geleden met een oudere mannenbroeder die er als jonge redacteur nog getuige van is geweest, hoe hoofdredacteur Bruins Slot jarenlang het gezag van de onbetwiste partijleider Jan Schouten aanvaardde en hem in alles volgde, maar later toch in een politieke geloofscrisis is beland. Uiteindelijk heeft Bruins Slot na veel gewetensnood ingezien dat de krant in de Indonesische kwestie, zoals ze dat tegenwoordig noemen, aan de verkeerde kant van de geschiedenis heeft gestaan.

Maar Trouw niet alleen. Binnen de Partij van de Arbeid knarste en piepte het, de partij was totaal verscheurd over de beslissing twee jaar na de bevrijding zelf ten oorlog te trekken. De dag voor de eerste politionele actie was er een partijraad die iets van elf uur duurde en tot de spannendste vergaderingen uit onze politieke geschiedenis moet worden gerekend. Op het uiterste nippertje wisten partijleider Drees en voorzitter Vorrink te voorkomen dat de partijraad de ministers zou opdragen uit het kabinet te treden. Maar de volgende dag zweeg partijkrant Het Vrije Volk in alle talen over die bijeenkomst, hoewel de hoofdredacteur en een hele rits redacteuren er zelf bij aanwezig waren geweest. De krant kwam slechts met een kort communiqué - ze stond in dienst van de sociaal-democratische boodschap en niet van de waarheid.

En opnieuw: het is gemakkelijk om vandaag uit te maken wat de goede en wat de verkeerde kant van de geschiedenis is geweest. Voor de politieke leiders van destijds was het allemaal iets ingewikkelder. Ze werden gemangeld tussen ethische opvattingen van sommige collega's en uit sommige hoeken van de samenleving aan de ene kant; en de hevige druk die vooral van militaire zijde op ze werd uitgeoefend aan de andere kant. Die druk nam soms zelfs de vorm van chantage aan - geen middel was de leiding van leger en marine te gortig. The past is a foreign country, zegt u dat wel.

KRO
Waar sloeg het beeld eigenlijk om? Zijn het de jaren zestig, waarin de opgeschoten jongens van de KRO zich opeens tegen de bisschoppen en tegen de KVP keerden? Waarin elk gezag begon te wankelen, van de rector op school, van de vader aan tafel, van de dominee op de kansel, van de partijleider in zijn wolk van sigarenrook? Ja, het waren zonder twijfel de jaren zestig en voor de journalistiek in ieder geval ook de jaren zeventig. Watergate speelde er een belangrijke rol in. Ik weet nog dat mijn hoofdredacteur op een middag de hele redactie meenam naar de bioscoop om daar de film All the Presidents Men te zien, het heldenepos van twee stadsverslaggevers van de Washington Post door wiens vasthoudendheid de machtigste man op aarde van zijn voetstuk viel. We kwamen als journalisten gelouterd de City-bioscoop uit, vanaf dat moment was er geen wethouder meer veilig voor ons speurwerk, we namen ons plechtig voor alle declaratiebonnetjes van alle gezagsdragers tot achter de komma te controleren. De boodschap zou ons een zorg zijn, de waarheid, dat was voortaan onze leidraad.

Wij, de journalisten, hebben sindsdien heel wat ups-and-downs gekend. De internationale journalistiek dichtte zichzelf een grote rol toe in de ommezwaai in het Amerikaanse beleid inzake Vietnam - het is achteraf zeer de vraag of dat terecht was. De media voelden zich in het CNN-tijdperk ook heel dapper en succesvol, toen er na de Golfoorlog een no-fly-zone werd ingesteld boven het Koerdisch deel van Irak. Direct veroorzaakt door de berichtgeving over het leed van Koerdische vluchtelingen op een door satellietwagens omzoomde berghelling.

Maar des te groter was de afgang van de media, toen ze machteloos moesten toezien wat er in Bosnië, en speciaal rond Srebrenica gebeurde: we waren er niet, we konden er niet bij met onze satellietwagens, tegen Servische roadblocks waren we niet opgewassen. We moesten een massamoord in het hart van Europa laten gebeuren, terwijl we het nog zo plechtig hadden beloofd: dat nooit meer.

Nog recenter: de Amerikaanse media, al sinds mensenheugenis luizen in de pels van de macht, stonden eensgezind pal achter president Bush toen die in 2003, samen met Tony Blair, tegen Irak ten strijde trok. Dat dat op dubieuze gronden gebeurde kreeg even niet de aandacht die het verdiende.

Opmerkelijk was dat de Amerikaanse media weer in de klassieke modus schoten die van kracht is bij de meeste oorlogsverslaggeving: alle aandacht voor onze jongens. In de Irak-oorlog werd dat nog eens extra gefaciliteerd doordat de regionale en lokale media van het Pentagon de faciliteiten kregen om over de soldaten uit hun eigen gebied te rapporteren. Ze mochten, embedded, mee met de eigen 'boys on the block' - en dat werkte geweldig, de Amerikaanse publieke opinie leefde meer mee dan ooit met de jongens overzee.

Daar kregen sommige media later een beetje spijt van, ze hadden zich door de waan van de dag laten meeslepen, ze hadden meer in dienst van het vaderland gestaan, dan van de waarheid.

Langzaam
Als je de ontwikkelingen op langere termijn in vogelvlucht beziet, gaan we er als journalisten qua  onafhankelijke berichtgeving per saldo wel een beetje op vooruit, maar het gaat langzaam, als in de processie van Echternach. En de totale onafhankelijkheid zullen we wel nooit bereiken, de nieuwe bedreigingen, vooral van economische aard, liggen alweer op de loer. De nieuwe journalistiek, die dreigt te verdrinken in de veelheid van moeilijk te controleren bronnen, is druk bezig met overlevingsstrategieën, en dus met verdienmodellen, met vraaggestuurde berichtgeving, met crowdfunding - die onafhankelijkheid, die komt daarna wel weer.

Mag ik tot slot nog even terug naar de naamgever van deze lezing, Anton de Kom? Hij zat dus in een van die gruwelijke treintransporten vanuit Vught, hij stierf in april 1944 in Sandbostel, dat buitenkamp van Neuengamme. Voor de oorlog was hij in zijn woonplaats Den Haag, na een korte periode als verkoper van koffie, langdurig werkloos, slachtoffer van de crisis.

Hij was in 1932 korte tijd in Suriname, om zijn zieke moeder te bezoeken, maar werd daar al snel vastgezet, verdacht van pogingen de staat omver te werpen. Hij kwam in mei 1933 weer terug in Nederland en werd direct door de inlichtingendienst in de gaten gehouden, als een staatsgevaarlijk man. Hij schreef het boek 'Wij slaven van Suriname' en had de grootste moeite er een uitgever voor te vinden. Zijn toestand gaat langzamerhand achteruit, zowel financieel als in mentaal opzicht. In de oorlog schrijft hij anoniem voor het communistische verzetsblad De Vonk. En dan is hij opeens weg, gearresteerd, gevangen gezet in Vught en in september 1944 naar Duitsland gedeporteerd. Anton de Kom was, kortom, niet voor het geluk geboren.

Voor historici is what-if-geschiedenis een doodzonde, maar journalisten is het toegestaan. Vandaar deze vraag: wat zou er gebeurd zijn als Anton de Kom uit gevangenschap naar Nederland zou zijn teruggekeerd? De koloniale autoriteiten zouden hem de toegang tot Suriname ongetwijfeld hebben geweigerd - zo'n communistische oproerkraaier kwam er daar niet meer in.

Held
Het voormalig verzet in Nederland zou hem als een held hebben geëerd, zeker het communistische verzet.

Maar hij zou zich hier zonder enige twijfel direct hebben gesolidariseerd met de strijd voor onafhankelijkheid van de republiek Indonesië. En daarmee zou hij voor een meerderheid van het Nederlandse volk op slag verdacht zijn geweest. De inlichtingendiensten zouden hem weer in het vizier genomen hebben - zoals ze ook deden met iedereen die dienst weigerde, of die protesteerde tegen het zenden van almaar meer troepen naar de Oost.

Kortom, zou Anton de Kom in vrijheid hebben kunnen ijveren voor een onafhankelijk Suriname? We moeten daar geen illusies over hebben. Met zijn communistische imago zou hij, als hij de tweede wereldoorlog zou hebben overleefd, vermoedelijk als slachtoffer gevallen zijn in de Koude Oorlog.

Zo ging dat nu eenmaal in Nederland, destijds.

The past is a foreign country, they do things differently there.

Ik dank u voor uw aandacht.

Deze lezing is gehouden in het Verzetsmuseum zie:
http://www.verzetsmuseum.org/museum/nl/activiteiten_en_nieuws/activiteiten,2013/anton_de_komlezing.html

Lees verder na de advertentie

 
Voor historici is what-if-geschiedenis een doodzonde, maar journalisten is het toegestaan
Ad van Liempt

Deel dit artikel