null

OpinieKwestie-Arib

De rol van het presidium in een sociaal onveilige Tweede Kamer moet ook worden onderzocht

Beeld Trouw

Bij het onderzoek naar de sociaal onveilige werksfeer in de Tweede Kamer onder Kamervoorzitter Arib had het Presidium ook zichzelf onderwerp van onderzoek moeten maken, vinden Jan Bergstra (logica-onderzoeker), Marcus Düwell (gasthoogleraar filosofie in Darmstadt) en Antoine Mooij (em. hoogleraar psychiatrische aspecten van de rechtspraktijk).

Jan BergstraMarcus Düwell en Antoine Mooij

Het presidium van de Tweede Kamer heeft ­opdracht gegeven om onderzoek te laten doen naar handelingen van de voormalige voorzitter daarvan, Khadija Arib. Dit naar aanleiding van twee anonieme brieven. Op grond daarvan is een summier eigen onderzoek verricht, waarvan de uitkomst in lijn was met het in de anonieme brieven gestelde.

De beslissing van het presidium en de griffier (het hoofd van dienst) om dit onderzoek in te stellen blijkt echter alleen gegrond te zijn op de anonieme brieven. Want het onderzoek heeft als ‘oogmerk hetgeen ­gesteld is in de brieven te onder­zoeken op juistheid.’

Twee vragen over de brief

De essentie van de inhoud van de brieven is dat er sprake was van ‘een sociaal onveilige werksfeer, die het gevolg zou zijn van het optreden van mevrouw Arib in haar periode als voorzitter jegens de ambtelijke organisatie van de Tweede Kamer’, zo valt te lezen in de brief van 3 oktober van het presidium hierover.

Twee vragen rijzen daarbij: de eerste over de anonimiteit van de brieven, de tweede over de vraagstelling zelf van het beoogde onderzoek. Onze stelling is: door zo te handelen heeft het presidium (met de griffier) de verdenking op zich geladen van partijdigheid, en wel door te miskennen dat het zelf mede partij is.

Bij het eerste punt valt op dat het presidium geen aandacht besteedt aan het feit dat men het onderzoek baseert op anonieme brieven. Aan deze brieven wordt niet de status van een ‘klacht’ toegekend, maar die van een ‘signaal’. Dat is begrijpelijk, want als men deze brieven als klacht had beschouwd, was deze klacht direct verdwenen: ‘Geen klacht zonder klager’. Maar door de anonieme brieven een signaalfunctie toe te kennen, geeft het presidium zelf een signaal af. Dat signaal is: anonimiteit is geen probleem.

De beklaagde is vaak vogelvrij

En dat is een verkeerd signaal, een verkeerde boodschap, vooral in de tijd van nu waarin het adagium ‘klagen staat vrij’ geldt. Daarbij is de beklaagde vaak vogelvrij. Dat doet niets af aan het belang van regelingen die het mogelijk moeten maken om veilig een signaal af te geven zonder vrees voor wraak of eigen ­nadeel (klokkenluidersregelingen, vertrouwenspersonen, et cetera). Zulke regelingen zijn zelfs cruciaal voor sociale veiligheid. Maar toch, het afgegeven signaal dat anonimiteit geen probleem is, is als signaal verkeerd.

Het tweede punt betreft de onderzoeksopdracht zelf. Op dit moment weet niemand wat er allemaal gebeurd is: dat moet juist vastgesteld worden in het onderzoek. We kennen wel de strekking van de brieven – de focus ligt op het gedrag van mevrouw Arib. Die strekking is klakkeloos overgenomen in de onderzoeksopdracht. Daarmee is buitengesloten wat de klacht mede behelst, ja zelfs essentieel daarin is: de context, het sociale klimaat, waar het ­allemaal om te doen is. (De mondelinge mededeling achteraf, desgevraagd, dat daar ook aandacht voor zou zijn, is uiteraard gratuit, heeft geen status.)

Als mevrouw Arib inderdaad iets te verwijten zou zijn, hoe kon zij dan zo haar gang gaan en een on­veilig klimaat creëren? Hoe heeft de griffier als leidinggevende gefungeerd in het bewaken van een veilig werkklimaat? Welke rol heeft het presidium gehad? Als er al sprake is geweest van een sociale onveiligheid op brede schaal, moet redelijkerwijs worden aangenomen dat de griffier en leden van het presidium daarvan weet hebben gehad. In elk geval zouden ze daarvan hebben kunnen en moeten weten, zodat ze hoe dan ook in hun zorgplicht zouden hebben gefaald.

Onderzoek de belangrijkste betrokkenen

Een onderzoek dient dus, gezien de aard van de signalen, betrekking te hebben op het handelen van de belangrijkste betrokkenen: mevrouw Arib, de griffier en de leden van het presidium. Juist de aard van de signalen noodzaakt daartoe.

Dat klemt te meer omdat ook in de media gesproken wordt van een ‘schrikbewind’ dat mevrouw Arib zou hebben uitgeoefend. In zo’n geval, weet ‘iedereen’ ervan. De brief van het presidium vermeldt zelf het vertrek van tientallen medewerkers, vanwege Arib.

Dat zou inderdaad kunnen duiden op een probleem. Maar dat eventuele vertrek (vermoedelijk in de vorm van overplaatsing binnen de Rijksoverheid) wijst ook op de gevolgen van een noodzakelijke reorganisatie. Het kan ook wijzen op de typische vorm van conflictoplossing in Den Haag: overplaatsing, het probleem niet aanpakken, maar doorschuiven.

De facto partijdig gebleken

De conclusie spitst zich, uit de logica van de zaak, toe op het presidium. Door zichzelf als ‘geen partij’ te beschouwen (buiten schot te houden in de onderzoeksopdracht) is het presidium naar onze mening de facto partijdig gebleken in het handelen zoals weergegeven in de brief van 3 oktober. Dat zegt nog niet per se iets over de subjectieve intenties, maar het maakt het presidium wel kwetsbaar.

Wij menen dat hier een duide­lijke les inzake de omgang met anonieme beschuldigingen uit valt te halen: beargumenteer altijd goed waarom anonieme beschuldigingen worden behandeld. Beargumenteer zeer goed waarom het redelijk is dat de beschuldigde het bijna onvermijdelijke reputatieverlies mag ondergaan. Beperk tot slot het onderzoek naar de beschuldiging niet zomaar tot de scope van de tekst die je hebt ontvangen. Het gesignaleerde probleem zou groter kunnen zijn dan wat de signalen vermelden.

Een adequate behandeling van zulke signalen hoort met die mogelijkheid rekening te houden.

Jan Bergstra (logica-onderzoeker), Marcus Düwell (gasthoogleraar filosofie in Darmstadt) en Antoine Mooij (emeritus hoogleraar psychiatrische aspecten van de rechtspraktijk, Universiteit Utrecht)

Lees ook:

Presidium zet onderzoek naar oud-Kamervoorzitter Khadija Arib door. ‘Anders zijn we geen knip voor de neus waard’

Met het vertrek van Khadija Arib (PvdA) uit de Kamer is de kwestie niet afgedaan. Het presidium zet het onderzoek naar de oud-Kamervoorzitter door.

De zaak-Arib: een systeemcrash die de hele Tweede Kamer kan raken

Het onderzoek naar oud-Kamervoorzitter Arib zet een politiek onvoorspelbare kettingreactie in gang. Het kan huidig voorzitter Bergkamp treffen.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden