Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De plaag van de identiteitspolitiek beperkt romanciers in hun vrijheid

Opinie

Ger Groot

Columnist Ger Groot. © Trouw
Column

Het thema van de boekenweek van volgend jaar is ‘De moeder de vrouw’ en deze week werd bekend dat Murat Isik het daarbij passende essay zal schrijven. Ophef in letterenland want Isik is geen moeder en al helemaal geen vrouw. Omdat het boekenweekgeschenk door Jan Siebelink zal worden verzorgd, zwol het gemor snel aan. Was er juist bij dit thema echt geen vrouw te vinden geweest?

Een beetje raar is dat wel. Het kan niemand ontgaan zijn dat het gekozen motto afkomstig is van Martinus Nijhoff. Het is de titel van zijn, dankzij de Bommelse brug in de openingsregel, bekendste gedicht. Er komt geen vrouw in aan het woord; Nijhoff schrijft óver de vrouw die hij op een binnenvaartschip voorbij ziet varen. ‘Prijs God, zong zij. Zijn hand zal u bewaren.’ Met evenveel recht kun je in het boekenweekmotto een religieuze vingerwijzing zien.

Lees verder na de advertentie
Aan zwarten mag geen blanke auteur zich vertillen, aan vreemden geen autochtoon en aan vrouwen geen enkele meneer

Wie dat literatuurderige scherpslijperij vindt wordt misschien des te gemakkelijker vatbaar geslachtelijke scherpslijperij. Wat dan begint met klagen eindigt dan met quota en teltabellen: de beste manier om het literaire onder de grond te schoffelen. Want het aardige van literatuur is nu juist dat ze zich helemaal niks aantrekt van wat of wie de schrijver is, en des te meer van de verbeelding waartoe deze bij machte is.

James Joyce was geen jood, maar de hoofdpersoon van Ulysses was dat wel. Hella Haasse was geen condottiere, maar schreef een beklijvende ik-roman over het Rome van de Borgia’s. Victor Hugo had geen bochel maar maakte Quasimodo onsterfelijk. En Annie M.G. Schmidt was geen man en al helemaal geen vader, maar schreef met ‘Op een mooie pinksterdag’ het allermooiste lied over het vaderschap dat ik ken.

Helaas zijn de tijden niet gunstig voor de literaire verbeelding. Identiteitspolitiek is het inmiddels romanciers gaan verbieden te schrijven over personages wier kenmerken zij niet delen. Aan zwarten mag geen blanke auteur zich vertillen, aan vreemden geen autochtoon en aan vrouwen geen enkele meneer. Identiteit is een exclusief bezit geworden, dat zich ook uitstrekt tot culturele goederen. Waag het als Europeaan niet een rasta-kapsel te dragen.

Cultuur is niet langer iets dat gedeeld wordt en over grenzen heen inspiratie biedt, maar blijft groepsgewijs voorbehouden aan wie haar als hun eigendom beschouwen. In zo’n sfeer moet de verbeeldingskracht wel verpieteren. Iedere schrijver zijn eigen ding: dat betekent de dood voor de literatuur, waarin de fictie verdrongen wordt door het feit. Niet het imaginaire vormt er nog de stof van, maar de geestloze wet ‘A=A’. U bent wit en schrijft witte dingen. U bent man en heeft af te blijven van de moeder, de vrouw.

Protesteerders tegen Isik zullen de dictaten van de iden­ti­teits­po­li­tiek net zo idioot vinden als ik zelf

Met de meeste protesteerders tegen de keuze voor Murat Isik loopt het zo’n vaart niet. Ze zullen de dictaten van de identiteitspolitiek net zo idioot vinden als ik zelf. Alleen, zeggen zij, in de letteren komen vrouwen toch al zo weinig aan bod. Waarom dan niet iets meer naar hén gekeken bij de keuze van een essayist over bij uitstek dít onderwerp?

Dat zal goed bedoeld zijn, maar pakt rampzalig uit. Want juist dat laatste argument begeeft zich op het gladde ijs van de misvatting ‘A=A’. Wie daaraan wil ontkomen, moet beseffen dat bij elk boekenweekthema dit argument uit de kast mag komen, maar nu juist níet hier. Te spreken van een ‘uitgelezen gelegenheid’ maakt zich links- of rechtsom schuldig aan wat men nu juist verafschuwt. Wat zou er anders ‘uitgelezen’ kunnen zijn dan precies die (geslachtelijke) identiteit tussen schrijver en thema?

Daar is de verbeeldingskracht te belangrijk voor, niet alleen in de literatuur maar ook daarbuiten. Wie denkt dat mensen niet zouden kunnen (of mogen) treden buiten wat zij zijn, eindigt niet alleen in een bijzonder treurige wereld, maar elimineert uiteindelijk alle menselijke vrijheid. Nee, ik bén niet ‘de man’. Ik bén niet ‘de Nederlander’. Ik ben zelfs niet zomaar ‘de’ moderne 20ste-21ste-eeuwer. Ik ben niet wat ik ben en ben wat ik niet ben: dat was de grondregel die Sartre, de filosoof van de vrijheid bij uitstek, ooit lapidair formuleerde.

Lang niet alles van wat Sartre dacht en deed was even gelukkig, maar hierin had hij gelijk. ‘Je est un autre’: Rimbaud had het driekwarteeuw eerder al gezegd – en dat is vandaag nog net zo waar als in 1871. Het is die waarheid die ons behoedt voor de plaag van de identiteitspolitiek en de sirenenzang waarmee zij mensen en groepen opsluit in zichzelf: eenkennig, achterdochtig en benepen.

Ger Groot doceerde filosofie aan de universiteiten van Rotterdam en Nijmegen. Voor Trouw bekijkt hij de actualiteit door een filosofische bril. Hier vindt u zijn columns.

Deel dit artikel

Aan zwarten mag geen blanke auteur zich vertillen, aan vreemden geen autochtoon en aan vrouwen geen enkele meneer

Protesteerders tegen Isik zullen de dictaten van de iden­ti­teits­po­li­tiek net zo idioot vinden als ik zelf