Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De naam van God viel maar zelden tijdens de Oscars

Opinie

Ger Groot

Ger Groot nieuwe foto © Trouw
Column

Waarom half Nederland op zijn kop staat wanneer de Amerikaanse filmindustrie zichzelf met prijzen overlaadt is mij nog altijd een raadsel. Radio en tv zijn er vol van, kranten trekken er hele pagina’s voor uit. Terwijl de Oscars niet veel meer zijn dan een feestje van een nogal overschatte filmindustrie wier producten wereldwijd heel wat interessants uit de markt drukken. 

Enfin, ook dat is zeer Amerikaans.

Lees verder na de advertentie

De afgelopen jaren was het feestje een beetje in mineur, zo begreep ik uit de verslaggeving erover. Hollywood trok het boetekleed aan over misstanden die al zo oud zijn als de filmindustrie zelf. (Charlie Chaplin zou het niet hebben overleefd). Diezelfde industrie heeft met cynisch plezier talloze films gewijd aan het Sodom&Gomorra dat klaterend was herrezen in Californië. Wereldwijd werd er naar opgezien met heimelijke bewondering en openlijk misprijzen – of andersom.

Dat daarop plotseling een terugslag kwam, zal niemand verbazen. Het nieuwe decennium werd het toneel van nieuwe gelovigheid, nieuw radicalisme en nieuwe preutsheid. Zoals altijd maakte Hollywood daar prompt een bovenmaatse show van. Het Oscar-feestje werd een mengsel van zelfkastijding en ostentatieve onschuld- en slachtofferbelijdenis. Die twee kunnen ten slotte niet zonder elkaar.

De naam van God viel maar zelden

Omdat farizeïsme altijd roept om zondebokken, werd het jaarlijkse filmfestival ook het feest van het schervengericht. Wie meende dat de Bijbel het in dit zondige milieu definitief had afgelegd tegen de Baälscultus van geld & lust, kon zien hoe de ondeugd werd kaltgestellt met Oudtestamentische uitdrijvingsrituelen. De overblijvers konen zich erdoor gerechtvaardigd weten in hun overtuiging het ware volk van God te zijn.

Wat in gerechtelijke termen de ‘onschuldspresumptie’ heet kan ons niet zoveel meer schelen

Eén verschil was er echter wel. De naam van God viel maar zelden – en dan meestal nog als uitroep van al dan niet geveinsde ontroering: ‘Oh my Gawd!’ De wrekende gerechtigheid was er niet minder fel om nu ze niet langer gedragen werd door een schrikwekkende Heer. Integendeel, het ostracisme leek juist zónder die Heer absoluter dan ooit. Hier moest schoon schip worden gemaakt met een grondigheid die iedere compassie jegens de bozen uitsloot.

Daarin vergroot Hollywood alleen maar uit wat zich diffuser aftekent in de hele westerse wereld. Zonde en misdaad schreeuwen steeds harder om wraak en definitieve gerechtigheid. Soms in de vorm van het volksgericht dat aan een loutere beschuldiging genoeg heeft om de veronderstelde boosdoener maatschappelijk terecht te stellen.

Vaker worden de eisen aan de rechtspraak zelf opgeschroefd. De rechtsregel dat de staat zich bij twijfel over de schuld van de beklaagde moet onthouden van veroordeling, is aan fikse erosie onderhevig. Want is het dan niet altijd het slachtoffer dat het onderspit delft? – en heeft dat slachtoffer óók niet zijn (en vooral haar) rechten?

Ooit bedacht de wetgever wijs dat ieder menselijk oordeel feilbaar is en een almachtige staat bij gerede twijfel uiterst terughoudend moet zijn. Hij moest dus liever onrecht onbestraft laten dan het risico lopen onschuldigen te veroordelen – al kon hij natuurlijk niet helemaal van rechtspraak afzien: vandaar het ‘gerede’ bij de twijfel. Het huidige volksgevoel lijkt die laatste eerder te beschouwen als een dubbeltje op zijn kant – en dan moet de genoegdoening voor het slachtoffer de doorslag geven. De gedachte dat misdaad zonder wraak of sanctie zou blijven is onverdraaglijk geworden.

Waarom zijn wij vandaag de dag zoveel onbarmhartiger in onze roep om bestraffing, of die nu langs juridische of sociale weg plaatsvindt? Wat in gerechtelijke termen de ‘onschuldspresumptie’ heet kan ons niet zoveel meer schelen. Hoor en wederhoor, verzachtende omstandigheden, gerede terughoudendheid, zelfs het besef dat een dader ook maar een mens is: je moet er noch in Hollywood noch ‘bij ons’ mee aankomen.

Wee dus de boosdoeners – of degenen die wij als zodanig menen te hebben ontmaskerd

Je kunt de vraag ook omdraaien. Waarom legde men zich tot voor kort – althans officieel en openlijk – gewilliger neer bij de beperkingen van het recht en de ongewroken misstap? Misschien had diezelfde God die in Hollywood alleen nog routinematig op de lippen lag er iets mee te maken. Wandaden konden op aarde ongestraft blijven, maar zouden met het Laatste Gericht onvermijdelijk worden vergolden. Die troost is verdwenen – en daarom moet de zonde hier op aarde en met menselijke gerechtigheid worden uitgeboet, ten volle en wel nu. Want een tweede strafkans komt er niet.

Wee dus de boosdoeners – of degenen die wij als zodanig menen te hebben ontmaskerd. De wrake die ooit aan God was voorbehouden is nu ónze wraak, en daarin past geen mededogen. Het zou een wonderlijke omkering van het atheïstisch humanisme zijn wanneer het in zijn roep om gerechtigheid ons niet menselijker maar juist hardvochtiger zou hebben gemaakt. Laten we het de ironie van de geschiedenis noemen. De schurken en schurkjes in Hollywood hebben het geweten; de rakkers in onze eigen omgeving zijn gewaarschuwd.

Ger Groot doceerde filosofie aan de universiteiten van Rotterdam en Nijmegen. Voor Trouw bekijkt hij de actualiteit door een filosofische bril. Hier leest u zijn andere columns.

Deel dit artikel

Wat in gerechtelijke termen de ‘onschuldspresumptie’ heet kan ons niet zoveel meer schelen

Wee dus de boosdoeners – of degenen die wij als zodanig menen te hebben ontmaskerd