Column

De moeders van schrijvers zijn een bonte stoet aan bullebakken en donderstenen

Bert Keizer Beeld -

De moeder de vrouw is het thema van deze boekenweek. Zullen we wat moeders achter schrijvers en artiesten doen? 

Die van Samuel Beckett (1906-1989) was een formidabele persoonlijkheid. Zijn vader was een goeiige reus ‘vol boeren en scheten’ die een aannemersbedrijf had, later door Sams broer overgenomen. Ma Beckett was allerminst goeiig, ze was een steile protestant, erg strikt, en lastig voor Sam, die leed onder het feit dat hij zijn ouders niet bood wat hij volgens hen zo zou kunnen beetpakken: een briljante academische carrière.

In plaats daarvan hing hij rond, dronk te veel, dacht na over Dante en had vruchteloos lief. De boel plofte zelfs toen ze iets van zijn schrijfsels las. Ze gooide hem het huis uit. Hij vluchtte van haar weg naar Parijs. Maar hij bleef haar trouw en al vrat het hem op, toen ze zeer moeizaam stierf aan Parkinson, bleef hij bij haar tot het laatst.

Bij Franz Kafka (1883-1924) was het precies andersom, in zijn geval was vader de bullebak. Op schrijnende wijze door hem beschreven in zijn ‘Brief aan vader’. Moeder Kafka lijkt zich heel stil en altijd instemmend achter het bergmassief van de vader op te houden. Voor Kafka kwam de meeste liefde in het gezin van zijn zus Ottla.

Tumult

De moeder van Emily Dickinson (1830-1886) baarde twee dochters en een zoon. Die kinderen waren alle drie uitzonderlijk sterke karakters. En boven die kinderen uit torenend was er vader Dickinson met zijn loodzware juridische, financiële en bestuurlijke plichten. Mevrouw Dickinson slaagde er nauwelijks in overeind te blijven temidden van een dergelijk tumult. Uit de brieven van Emily krijg je de indruk dat moeder zich ergens halverwege haar leven ziek meldde, waarna zij zich voorgoed terugtrok in bed. Na de dood van vader zorgden de twee dochters voor hun moeder, die langzaam in hun zorgenkind veranderde. Ma Dickinson was een enigszins lauwe aanwezigheid en je vraagt je af hoe ongelukkig deze vrouw was.

De moeder van James Joyce (1882-1941), May Joyce née Murray, stierf in 1903. Ze was pas vierenveertig jaar oud. Joyce was in zijn eigen beleving niet altijd aardig voor zijn moeder. En het leven was al zo onaardig tegen haar. Dublin, eind negentiende eeuw, katholiek, kinderschare, uitzichtloze armoede en een man met een ernstig drankprobleem die graag zong in kroegen in plaats van te zorgen voor vrouw en kinderen. John Joyce vond dat zijn vrouw er erg lang over deed om te sterven. Op een avond kwam hij dronken thuis en zei tegen haar: ‘If you can’t get well, die. Die and be damned to you’. Zoon Stanislaus vloog pa aan, maar James wist zijn vader de kamer uit te werken. Toen moeder in coma raakte, werd er gebeden, maar James kon het niet opbrengen om te knielen en mee te bidden. Hij verafschuwde alles wat tot haar dood had geleid: de vader, de armoe, het vruchteloze tobben, de kerk, maar ook wat hij zag als zijn eigen aandeel. Dat niet willen bidden heeft hij prachtig meegenomen naar ‘Ulysses’.

Dondersteen

De moeder van John Lennon (1940-1980) was een dondersteen. Uitgaanstype, maar dan wel van de grondige variant. Zo grondig dat ze haar kind inleverde bij haar zus Mimi, niet te volgen eigenlijk. Hij had het best goed bij Mimi. Er was wel contact met zijn moeder, Julia. Op 15 juli 1958 bezocht ze John bij haar zus. Enkele minuten na het afscheid werd ze doodgereden. Ik heb het even opgezocht, en dan schrijf je zoiets gewoon op. Maar wat het voor Lennon betekende, valt niet gewoon op te schrijven.

Ten slotte een moeder die er echt altijd was: Jeanne Weil, de moeder van Marcel Proust (1871-1923). Proust was de zoon van een vooraanstaande arts. Met zijn achtergrond, opleiding en intellect stond er een succesvol leven voor hem klaar in diplomatie of advocatuur. Maar hij was een uitzonderlijk literair talent en wist heel behoedzaam weg te blijven van een maatschappelijke positie. Vader was wat knorrig over dit gebrek aan vooruitzichten. Maar zijn moeder heeft hem en zijn gave gekoesterd, bij dag en bij nacht, jaar in, jaar uit. De intens verdrietige kern van Prousts leven is dat hij pas echt kon schrijven na haar dood in 1910. Het mooiste wat hij dankzij haar had gemaakt, zou hij haar nooit kunnen laten zien.

Bert Keizer is filosoof en arts bij de Levenstaal eindekliniek. Voor Trouw schrijft hij wekelijks een column over zorg, filosofie, en de raakvlakken daartussen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden