Column

De mensheid is als de Notre-Dame: een gewond gebouw, altijd op zoek naar wederopstanding

Stevo Akkerman. Beeld Trouw

Het was de ochtend na de brand. Op de radio werd het ‘Prière à Notre-Dame’ van Léon Boëllmann gespeeld en met enige angst raadpleegde ik de nieuwsberichten: wat zou er over zijn gebleven van de kathedraal die ik zo’n 35 jaar geleden voor het eerst bezocht? 

Ik was de nacht ingegaan met de gedachte dat er geen redden meer aan was, wat totaal onacceptabel was, maar de wereld is vol van onacceptabele dingen, dat wist ik inmiddels ook wel.

Maar zie: de Notre-Dame stond er nog, gehavend maar niet verloren. Er verschenen foto’s van het interieur, met boven het altaar een zonverlicht kruis, en het was onmogelijk dat in deze Goede Week niet te zien als een vooruitwijzing naar Pasen. Voor mij in elk geval.

Maar er kon natuurlijk van alles en nog wat worden gezien in de brandende kathedraal, daar is het een wereldberoemd monument voor: iedereen projecteert er zijn eigen verlangens, emoties, angsten en obsessies op. De één zag in de zingende en biddende menigte rond de kerk een teken dat de secularisatie van Frankrijk minder hevig is dan weleens wordt aangenomen, en het meeleven uit de rest van Europa zou dan aantonen dat dat ook voor andere landen geldt. Daar zat wat in. Anderen wezen erop dat de liefde voor de Notre-Dame niets te maken hoeft te hebben met gelovigheid, en daar zat ook wat in. Minder fijnzinnig was de gretigheid uit nieuw-rechtse hoek om dit drama te presenteren als een volgende episode in de ondergang van het Avondland, al dan niet aangewakkerd door islamisten.

Rookt stijgt op voor het altaar, op een van de eerste foto's van het interieur van de Notre-Dame na de brand. Beeld AFP

En dan waren er nog, zo meldde priester Jan-Jaap van Peperstraten op Twitter, de nodige atheïsten die de brand zagen als een vingerwijzing ‘dat God niet bestaat omdat er verschrikkelijke dingen gebeuren’. Hij nodigde hen allen van harte uit ‘voor de viering van het Paastriduüm’. Ik moest even opzoeken wat dat was, maar ik had het kunnen weten: de periode van Witte Donderdag, Goede Vrijdag, Stille Zaterdag tot aan Paaszondag.

Niet precies hetzelfde als de lijdenstijd, die duurt langer, maar het komt in de buurt: de dagen waarin duisternis uitmondt in gebroken licht. Maar niet omdat de ene religie het wint van de andere of de ene beschaving de andere verslaat. En nee, ook niet omdat het bestaan van God verschrikkelijke dingen zou uitsluiten.

Hoe dat allemaal precies zit, weet ik ook niet, daarvoor bestaat mijn geloof te veel uit twijfel. Maar ik moest denken aan ‘de gewonde God’ van de Tsjechische filosoof en priester Tomás Halík. Toen ik hem begin dit jaar in Praag interviewde, zei hij dat de kruisiging van Jezus het mogelijk maakt te spreken over ‘de wonden en zelfs de dood van God’.

Halík voegde eraan toe dat hij niet zou kunnen geloven in een God, een Christus of een kerk zónder wonden. Daarbij had hij het uiteraard niet over de Notre-Dame, maar over de kerk als instituut en als gemeenschap. En ik denk dat hij misschien wel over de hele mensheid had: een gewond gebouw, altijd op zoek naar wederopstanding.

Lees ook:

Tomás Halík kan niet geloven in een God zonder imperfecties

Sinds de jaren zestig is jeugdigheid en vitaliteit de norm, maar het is tijd om ruimte te maken voor imperfectie en verwonding, zegt de Tjechische theoloog en priester Tomás Halík in een interview met Stevo Akkerman.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden