Column Hans Goslinga

De grote bek vermomt zich als de volkswil

In mei 1938 schreef het Lagerhuislid Churchill in een krant: “Het zijn de Engelssprekende volkeren die, vrijwel in hun eentje, de fakkel van de vrijheid brandende houden”. Hij riep de parlementaire democratieën aan beide kanten van de Atlantische Oceaan op tot samenwerking en lanceerde, toen al, het idee van een ‘Verenigde Staten van Europa’.

Niet voor het eerst getuigde Churchill hier van een vooruitziende blik. Zelfs gaf hij al inzicht in de houding van de Britten tegenover zo’n federatie van Europese landen: “Wij zijn mét, maar niet ván Europa. Wij zijn met elkaar verbonden, maar niet gebonden”. In deze lijn zou je de Britse toetreding tot de Europese Gemeenschap in 1973 eerder een breuk moeten noemen dan de voorgenomen uittreding.

Van wezenlijker betekenis op dit moment is de vraag of de Engelssprekende landen nog de belangrijkste dragers zullen blijven van de naoorlogse Atlantische orde van vrijheid en democratie. De Nederlandse historicus Huizinga schreef in 1934: “Wij horen aan de Atlantische kant. Ons zwaartepunt ligt op en overzee. Ons gezelschap is dat der Westelijke volken, van het grote volk in de eerste plaats, dat de moderne staatsorde schiep, en nog de vrijheid handhaaft”.

Wat Churchill enkele jaren later schreef was een bevestiging van dat vertrouwen. Net als Huizinga onderkende hij de kwaadaardigheid van het nationaal-socialisme en keerde hij zich, bijna moederziel alleen, krachtig tegen de toenmalige premier Chamberlain, die meende dat je met nazi-Duitsland afspraken kon maken – in september 1938 stemde hij in München in met de Duitse annexatie van een deel van Tsjechoslowakije in de waan dat hij daarmee de vrede in Europa had gered (‘Peace for our time’).

Volkeren die hun regering bezitten en regeringen die hun volk bezitten

Churchill deelde in die dagen de wereld op in ‘volkeren die hun regering bezitten en regeringen die hun volk bezitten’. Alleen al het opwerpen van de vraag waar de Atlantische landen zich thans op deze schaal bevinden, is een veeg teken. Maar er is alle aanleiding toe, nu je zowel in Wa­shington als in Londen de tendens ziet de democratie te verengen tot de vermeende volkswil.

In de naoorlogse Atlantische orde vielen vrijheid en democratie naadloos samen, geholpen door de verse herinneringen aan de oorlog tegen het nationaal-socialisme en de Koude Oorlog tegen de communistische dictatuur: het vrije Westen tegen het onderdrukkende Oostblok. Na de val van de Muur, de fysieke en mentale scheidslijn, is die symbiose tussen vrijheid en democratie niet langer vanzelfsprekend. Dat is een wrange paradox, maar geen verrassing.

De wijsheid dat de democratie kan ontsporen als zij wordt beschouwd als de heerschappij van de helft plus één, is al heel oud. Die ontsporing vindt plaats als een regering haar gezag enkel baseert op de zogenaamde volksmacht en niet langer onderwerpt aan het recht. In de Atlantische opvatting van democratie heeft steeds de brede betekenis geprevaleerd, een orde en beschaving (een aanduiding die Churchill vaak gebruikte) gebaseerd op vrijheid, waarheid en recht.

Nu zie je, niet alleen in Polen en Hongarije, maar zelfs in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, regeringsleiders die de instituties van waarheidsvinding en rechtspraak stelselmatig in diskrediet brengen als ‘vijanden van het volk’. Pers en rechter zijn niet langer gezonde tegenmachten die de macht controleren en in het spoor houden, maar degenen die de volkswil frustreren.

Donald Trump gaat in dit opzicht al veel verder dan Boris Johnson. Maar de Britse premier blijkt een goede leerling. In zijn reactie op de unanieme uitspraak van het Hooggerechtshof dat hij met de schorsing van het parlement ongrondwettig handelde, toonde hij geen spoor van ootmoedigheid. Hij zou zich formeel schikken, maar zei tegelijk dat de rechters ongelijk hadden.

Een fraaie paradox: de volkswil als wig om het volk uiteen te drijven

Een beroep op de volkswil is in een democratie altijd problematisch, om de eenvoudige reden dat hét volk niet bestaat. Maar dat beroep krijgt malicieuze trekken als het als politiek wapen wordt gehanteerd om burgers op te zetten tegen wat genoemd wordt ‘de elite’. Een fraaie paradox: de volkswil als wig om het volk uiteen te drijven. Dat is wat Trump en Johnson in hun retoriek doen en in ons land populisten als Wilders en Baudet proberen, deze week nog door opzichtig de protesterende boeren voor hun karretje te spannen.

In het perspectief van de strijd tegen dit schaamteloze populisme is het niet zo vreemd dat GroenLinks het partijpolitieke motief en het vruchteloze idee van linkse samenwerking nu ondergeschikt maakt aan het grotere belang van een gezonde democratie. Liever kleine stappen in het ‘ruige en rommelige landschap’, dat volgens Churchill aan zo’n democratie inherent is, dan het gelijk van de grote bek die zich vermomt als de volkswil.

Hans Goslinga schrijft elk weekend een beschouwing over de staat van onze politiek en onze democratie. Lees ze hier terug.

Correctie: in een eerdere versie van dit artikel stond een foutief jaartal bij de Britse toetreding tot de Europese Gemeenschap.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden