Beeld Trouw

Column Stevo Akkerman

De dood van György Konrád wakkert het verlangen naar heimwee in me aan

Beelden van een oude man, moeizaam lopend, veel te moeizaam. Maar ook met een zekere berusting. Het is schemerdonker, we zien alleen de contouren van de stad, verlicht door straatlantaarns. Dan staat de man, die op de rug wordt gefilmd, even stil en klinkt een stem die ik uit duizenden zou herkennen.

“Als het goed weer is”, zegt hij, het hoofd half naar achteren gekeerd, waar de interviewer loopt, “als het goed weer is, zitten de ouderen hier te schaken of te kaarten. Het is een fijne plek.”

“Wat voelt u als u hier bent?” vraagt de interviewer.

“Ik voel me thuis”, zegt de man. “De doden zijn mijn verwanten.”

Hij vervolgt zijn weg, houdt na enkele minuten stil, en zegt over zijn schouder: “Misschien hun moordenaars ook.”

De betreurde dode

Het Hongaars door het Engels heen, de hoogte van de klank, de diepte van de woorden – vanaf het moment dat ik de stem van György Konrád voor het eerst hoorde, in de VPRO-reeks ‘Nauwgezet en wanhopig’ uit 1989, zou ik hem nooit meer vergeten. Maar deze beelden in het schemerdonker stammen uit 2017, kort geleden nog maar, en je kon zien dat zijn einde niet ver weg meer zou zijn. Afgelopen vrijdag stierf hij, 86 jaar oud. En nu hij dood is, zoek ik hem terug op oude opnamen, pak ik zijn boeken uit de kast, lees ik de interviews die hij gaf in de loop van de jaren. Vorige week zou ik dat niet gedaan hebben, toen was hij er nog en hoefde hij niet tot leven te worden gewekt.

Als een publiek persoon overlijdt zijn stukjesschrijvers vaak geneigd te beginnen over hun eigen ontmoetingen met de betreurde dode. Dat lijkt nogal ijdel, en dat zal het misschien ook wel zijn, maar ik geloof dat er nog iets anders achter schuilt: weemoed. Het wegvallen van iemand die je een beetje hebt gekend, en wiens werk belangrijk voor je is, bevestigt je eigen vergankelijkheid. Ik ontmoette Konrád enkele malen in de jaren negentig en het bericht van zijn dood brengt me terug naar het Boedapest van die tijd, en naar die tijd in het algemeen, een tijd van verwachting. Er bestaat zoiets, zei Konrád, als ‘het verlangen naar heimwee’. Zijn dood wakkert dat aan.

Allergisch voor totalitair denken

Konrád was een wandelaar. Uit zijn roman ‘Tuinfeest’: “Elke morgen zet ik thee, daarna ga ik de stad in. Aan de oever van de Donau, tussen de Kettingbrug en de Elisabethbrug, inspecteer ik mijn bezittingen.” Tot die bezittingen behoorden ook de herinneringen aan de oorlog, die hij als Joodse jongen ternauwernood overleefde. Die ‘fijne plek’ waar ouderen komen schaken of kaarten, kende Konrád ook als de plek waar duizenden mensen werden vermoord. Het maakte hem allergisch voor elk totalitair denken – nazistisch, communistisch, islamistisch – en zo werd hij vanzelf ook een politieke schrijver. Maar ik hoor zijn stem vandaag het liefst als hij mijmert. Ook uit ‘Tuinfeest’: “Op het rode pannendak rust de zware hand van de nazomerzon, aan de takken hangen honingzoete vruchten en vogelgeluiden. De eeuwigheid is gestadig, ik leef erin.”

Drie keer per week schrijft Stevo Akkerman een column waarin hij de ‘keiharde nuance’ en het ‘onverbiddelijke enerzijds-anderzijds’ preekt. Lees ze hier terug.

Lees ook:
Het leven van schrijver György Konrád (1933 - 2019) werd getekend door vervolging

De vrijdag overleden György Konrád behoorde internationaal tot de meest vertaalde Hongaarse schrijvers en zijn boeken als ‘De Bezoeker’ en ‘Tuinfeest’ werden in dertien talen vertaald. Maar in eigen land was zijn werk decennialang alleen ondergronds te krijgen. Oost-Europa-correspondent Runa Hellinga blikt terug op zijn leven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden