column

De American Dream wordt duur betaald

Irene van Staveren Beeld Maartje Geels

De Amerikaanse handelstarieven op staal uit China en Europa gingen drie maanden geleden in. Ze leiden nauwelijks tot banen in Amerika, wel tot hogere prijzen.

Ik herinner me nog de bezorgde gezichten bij onze staalfabriek in IJmuiden. De angst dat de verkoop naar Amerika zou instorten. Dat die handelsbeperkingen banen zouden gaan kosten. En dat ook de verkoop binnen Europa eronder zou lijden, als China vervolgens het niet aan Amerika verkochte staal voor een appel en een ei op de Europese markt zou dumpen.

De angst bleek ongegrond. Met nauw verholen triomf meldde de directie van Tata Steel IJmuiden vorige week dat de grote meerderheid van de Amerikaanse klanten gewoon de importheffing van 25 procent betaalt om ons hoogwaardige staal te kunnen blijven kopen. De trotse verklaring was dat wij zeer hoge kwaliteit staal produceren en dat de Amerikanen dat niet kunnen. Dat laatste lijkt me sterk, maar feit is dat de verouderde staalindustrie op de zogenoemde rustbelt inderdaad achterloopt. Terwijl in IJmuiden alweer een nieuwe walserij wordt ingericht om nog harder staal te kunnen produceren.

De Amerikaanse vraag naar ons staal bleek slechts met 5 procent gedaald. Met deze twee cijfers kunnen we nu de prijselasticiteit van de vraag naar hoogwaardig staal uitrekenen. Bij een prijsstijging van 25 procent is de vraag met 5 procent gedaald. Als we de verandering in de vraag delen door de prijsverandering krijgen we de prijselasticiteit: -5/25 = -1/5 = - 0,2.

Elastische vraag

Ieder leerboek micro-economie leert dat een uitkomst tussen de nul en min een betekent dat de vraag naar een goed inelastisch is. Oftewel, de vraag reageert maar weinig op een prijsverandering. Pas bij een prijselasticiteit van -1 of -2 of groter kan gesproken over een elastische vraag. Dus als de verkoop van ons staal gedaald zou zijn met 25 procent of misschien wel met 50 procent, dan zou ons staal elastisch zijn. Gelukkig is dat niet zo. Ons staal is onbuigzaam en juist daarom zo in trek bij de Amerikaanse auto-industrie en andere fabrikanten.

Het betekent echter wel dat Amerikaanse auto's duurder gaan worden. Dat kost banen. Tenzij Trump ook flinke importtarieven op Europese auto's gaat heffen. In dat geval kost het banen bij autofabrieken in Europa. Toch is de Amerikaanse consument de grote verliezer. Want Europese auto's worden dan te duur, terwijl Amerikaanse auto's door het duurdere staal ook in prijs zijn gestegen. Van mij hoeven Amerikaanse consumenten niks te snappen van prijselasticiteiten. Zolang ze maar onder ogen durven zien dat de beloofde banen in de verouderde maakindustrie er nauwelijks komen en dat de American Dream duur betaald wordt.

In november zijn er tussentijdse verkiezingen. Normaal gesproken hoop ik dat mensen in het stemhokje verder kijken dan hun directe eigenbelang. Maar deze keer hoop ik stiekem dat de stemmers zich wel laten leiden door hun portemonnee - als consument en als arbeider. Dat ze niet meer geloven in de valse beloften van hun president. En dat ze flink afrekenen met zijn onzinnige handelsoorlog. Dat zou een sterk staaltje politiek realisme zijn in deze tijden van polarisering.

Irene van Staveren is hoogleraar ontwikkelingseconomie aan de Erasmus Universiteit. Voor Trouw schrijft ze om de week een column over economie. Lees hier haar eerdere columns.

Lees ook: 

Tata Steel: Europa moet zich nu gaan beschermen tegen gedumpt staal

Tata Steel is niet zo bang Amerikaanse klanten kwijt te raken door de invoerheffingen. Wel vrezen ze de toevloed van goedkoop staal in Europa. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden