column

Dat Einstein ooit in zijn geheime gevoelens te kijk zou staan, had hij niet verdragen

Ger Groot. Beeld Trouw

Albert Einstein was niet de knuffelgeleerde die de populaire cultuur van hem gemaakt heeft. In het dagboek dat hij bijhield tijdens een reis door Azië liet hij zich weinig vleiend uit over de Chinezen, zo meldde deze krant deze week. 

‘Racisme’ meende redacteur Ze’ev Rozenkranz er zelfs in te kunnen zien, ook in Einsteins tijd al onvergeeflijk want ‘dat soort opvattingen waren niet universeel’. Dat laatste is ongetwijfeld waar, maar heel veel mensen dachten wel zo. Rozenkranz’ argument om Einstein zo’n honderd jaar later alsnog te beoordelen naar de maatstaven van nu lijken me niet erg stevig.

Op Einsteins reputatie van goeiïg genie was al eerder een krasje gekomen. Toen het huwelijk met zijn eerste vrouw Mileva Maric in 1914 in een diepe crisis was geraakt, stelde hij een lijst op met eisen die het huislijk leven althans voor hém enigszins draaglijk moesten houden. Ze leest als een contract tussen partners die alleen nog door plicht bij elkaar gehouden worden. Kleren wassen, drie maaltijden per dag, een volstrekte onthouding van elke intimiteit en van kleinering ‘in het bijzijn van de kinderen’: dat was wat Einstein van Milena verwachtte. 

Afgezien van die laatste, niet onredelijke eis is dat opmerkelijk wreed en kil voor een man die als pacifist de geschiedenis in zou gaan – zo luidde het commentaar toen dit eisenpakket aan het licht kwam. Misschien is dat niet helemaal billijk. Het lijstje was nu eenmaal geen liefdesverklaring, integendeel, en contracten blinken zelden uit in aanminnige taal. Hoe dan ook, het heeft Einsteins huwelijk niet gered. Alleen zijn reputatie liep er jaren later enige schade aan op.

Publiek en privaat

Maar waarom eigenlijk? Dat ook genieën mensen zijn, behept met tekortkomingen en niet altijd aangename trekken, mag nauwelijks een verrassing zijn. Aan de bewondering om wat hen beroemd maakte doet dat niets af – en toch lijkt het publiek (en dat zijn wij allen) behept met eenzelfde soort hang tot ontmaskering als die waarin onze roddelzucht wortelt. Omdat we grootheid niet verdragen – bewust als we ons ervan zijn zelf niet in de schaduw daarvan te kunnen staan? Is het afgunst, destructiedrang of compensatie voor onze eigen middelmatigheid?

Duidelijk is in ieder geval dat deze ontluistering het niet kan stellen zonder de uitwissing van de grens tussen wat publiek en privaat is. Einsteins Aziatische dagboek was nooit voor publicatie bedoeld, zo erkent ook de tekstbezorger. Hij schreef het alleen voor zichzelf en noteerde meningen waarvan hij zich in het openbaar zorgvuldig onthield omdat hij wel wist hoe weinig oirbaar ze waren.

Vreemd kun je dat niet noemen. Ieder van ons heeft gevoelens, overtuigingen en aandriften die we strikt beperken tot ons eigen hart. Juist in dat laatste schuilt het geheim van de beschaving. Niet in wat zich afspeelt in ons private bewustzijn, maar in het besef dat dat zorgvuldig verbannen moet blijven uit het publieke terrein.

Nieuwsgierigheid

In dat opzicht valt Einstein minder te verwijten dan zijn tekstbezorgers, zoals dat eerder ook al het geval was bij Anne Frank en de pagina’s uit haar dagboek die ze zelf afplakte om hen voor vreemde ogen af te schermen. En misschien zelfs voor Martin Heidegger, wiens private notities inmiddels hét bewijs geworden zijn voor de fascistische inslag van zijn hele filosofie. Als aan openbaarheid niet te ontkomen is, dan zou men van de interpretatie van dit soort teksten een iets grotere omzichtigheid mogen verwachten.

Moeten zij werkelijk publiek worden gemaakt? Er valt vandaag de dag, vrees ik, niet aan te ontkomen. De grens tussen het private en publieke lijkt langzamerhand te zijn uitgewist – zoals ook blijkt uit de toenemende populariteit van biografieën. Naar algemeen gevoelen is dat laatste een goede zaak; er bestaan in Nederland zelfs speciale fondsen en subsidies voor. Maar of het besef van het recht op privé-leven en onbespiede intimiteit daarmee gediend is, blijft de vraag.

Er is maar één manier om een geheim goed te bewaren, en dat is het te vertellen aan helemaal niemand. Noch het toe te vertrouwen aan papier, hoe persoonlijk en desnoods afgeplakt ook. De nieuwsgierigheid van het nageslacht, zo niet de afgunst of kleineringsdrang ervan zullen er korte metten mee maken. Het lijkt wel alsof Einstein daarvan in het contract met zijn eerste vrouw iets voorvoelde – al vreesde hij kleinering door haar alleen nog ten overstaan van zijn kinderen. Dat hij ooit in zijn geheime gevoelens tegenover het wereldpubliek te kijk zou worden gezet, had hij waarschijnlijk niet verdragen.

Ger Groot doceerde filosofie aan de universiteiten van Rotterdam en Nijmegen. Voor Trouw bekijkt hij de actualiteit door een filosofische bril. Eerdere afleveringen van zijn column vindt u hier.

Lees ook: Einstein noemt Chinezen in dagboek 'smerig en stompzinnig'

Hij noemt ze ijverig, maar dat is dan ook de enige goede eigenschap die Albert Einstein de Chinezen toedicht. Uit zijn onlangs in het Engels verschenen reisdagboeken blijkt dat hij bepaald geen hoge pet van hen op had .

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden